Opnamen [verplaatsen]

Djoeminadi Toemin

  • Naam Djoeminadi Toemin
  • Achternaam Toemin
  • Geboorteplaats Meerzorg
  • Geboortedatum 19 juni 1943

Samenvatting

Ik herinner met dat we van Meerzorg naar Koewarasan verhuisden. Mijn zusje had altijd ruzie met het Creoolse buurmeisje. Zo erg dat er een hevige ruzie ontstond tussen mijn vader en de vader van dat buurmeisje. Dat gebeurde niet een keer, maar vaker. En toen was mijn vader zo boos geworden dat hij op het punt stond om die vader iets aan te doen. Dat was een van de redenen waarom we verhuisden. Mijn vader had een jaji (scheepsgenoot), een scheepsgenoot, die op Koewarasan woonde. Hij zou tegen mijn vader gezegd hebben: “Kom maar naar Koewarasan , hier zijn alleen maar Javanen. Hier is het rustig”. Toen mijn vader besloot om het perceel te verkopen, was mijn moeder zo verdrietig. Op Meerzorg hadden wij een mooi huis, met een zinkplaten dak en wanden van planken, van grove rabat. In Koewarasan moesten we weer in een hutje wonen met een dak van tasin bladeren en wanden van plassara. En wij kinderen konden niet naar school. Maar als vrouw deed je wat je man besloot. Mijn moeder kon niets anders doen dan meegaan naar Koewarasan . Maar gelukkig hebben we nooit honger gehad. Er was altijd rijst, er was altijd groente. Als kleine jongens visten we: kwikwi, pataka, walapa. En als je vlees at, dan was het kippenvlees, van de eigen kip. Maar brood was een luxe. Ik kan me herinneren dat mijn moeder eens in de maand naar de stad ging om inkopen te doen. Als zij van de stad kwam, nam zij puntbrood met keju (kaas) mee. Dat was niet te beschrijven zo lekker. Het was niet ons dagelijks voedsel, dus als je dat at, dan had je echt iets bijzonders gegeten. Dat was feest voor ons. Maar mijn moeder had wel verdriet. Waarschijnlijk heeft die verhuizing haar zo verdrietig gemaakt dat ze ons is komen te ontvallen daar op Koewarasan . Mijn moeder was bevallen van een zoon, de jongste. Bij de bevalling is mijn moeder ziek geworden. Hij werd opgevangen door een jaji op Koewarasan . Het verhaal dat rondging was dat mijn moeder haar zoon terug wilde hebben. Die jaji kreeg een visioen in haar slaap, een droom. Ze kwam in contact met mijn moeder. Mijn moeder zei dat ze die jongen wilde hebben. Uiteindelijk is ons broertje ons ook komen te ontvallen, zes of acht maanden na het overlijden van mijn moeder.
[Arbeid en ondernemerschap]

Na afloop van zijn contract had mijn vader geen vast werk had. Rono rene golek (hier en daar op zoek) noemde je dat. De ene week had hij wel werk en de andere week niet. Wat hij te doen kreeg, deed hij. Maar er was geen vast inkomen. Mijn moeder was heel ijverig. Alles wat je als vrouw kon doen dat deed zij: landbouw, huishouding en de zorg voor de kinderen. Mijn vader deed weinig aan zijn kostgrondje, zijn kebon. Mijn moeder bewerkte die kebon. De lage delen waren bestemd voor rijst en de hoge delen voor telo (cassave) en bananen. Daarnaast had ze ook nog een paar koeien, en ze hield er kippen op na. Mijn moeder zorgde ervoor dat het perceel wat opbracht. Cassave werd verkocht, bananen werden verkocht, kippen werden verkocht. Zo kwam ze aan geld om haar inkopen te doen. Als mijn vader werk had, dan moest hij vroeg van huis. Mijn moeder zorgde er dan voor dat hij bontot (lunchpakket) meekreeg. En elke morgen als zij in de keuken eten klaarmaakte, was ik bij haar. Zo heb ik haar kookkunsten afgekeken. Mijn moeder was een rustige, lieve vrouw. Ze praatte ook rustig, ze schreeuwde niet. Ze zorgde er altijd voor dat er eten was in huis. Wanneer ze eten had bereid, dan werd er apart gezet voor Pak (vader). De rest was voor de kinderen. Er was altijd genoeg, er bleef altijd wat over.
[Familie en opvoeding]

Op Peperpot was een mandor (opzichter) die Darmowidjojo heette. Hij wist dat mijn moeder overleden was en dat mijn vader vier kinderen had. Deze mandor was Christen en had contacten met kindertehuis Leliëndaal. Zodoende kwamen we alle vier terecht in het kinderhuis. Op de dag van vertrek werden we opgehaald door de auto van meneer Li, die een winkel had bij de veerbrug. Ik kan me herinneren dat mijn jongste broertje huilde, hij was pas vier. In het tehuis had je een jongenshuis en een meisjeshuis. Mijn jongste broertje moest bij de jongens slapen, maar hij wilde dicht bij mijn oudste zus blijven. Zij was als een moeder voor hem. Toch hebben we onze draai vrij snel gevonden in het kindertehuis. We gingen naar school en het ging goed. Ik ging elk jaar over en kon zelfs toelatingsexamen doen voor de mulo. Toen wij twee, drie jaar in het kindertehuis woonden, kregen wij een telefoontje. Dat was bijzonder in die tijd, niemand had telefoon. We kregen te horen dat mijn vader was overleden en inmiddels al twee weken begraven was. We huilden, huilden, huilden. Misschien was het niet zo, maar ik had het gevoel dat wij niet getroost werden. We werden zo aan ons lot overgelaten. Verdriet had je, maar het leven ging verder: zonder vader en zonder moeder. Achteraf ben ik blij dat ik die opvang heb gehad in het kindertehuis, dat ik de gelegenheid heb gehad om naar school te gaan, al was het leven er niet eenvoudig. Er was een strak programma volgens een vast patroon. In deze tijd zou je zeggen dat je bijna een Spartaanse opvoeding kreeg. Opstaan om zes uur, in bad en dan corvee doen: de stallen schoonmaken, koeien drinken geven, gras snijden. Daarna bed opmaken en schoonmaken. Na school eten, uitrusten en een beetje werken. En dan moest je ervoor zorgen dat je op tijd in bed lag. De morgen begon met een morgenzegen, de avond werd afgesloten met een avondzegen. ‘s Zondags ging je naar de kerk en ’s middags was je vrij om te spelen. Zo was het leven: een vast patroon met werken en leren onder strenge leiding. Maar we zijn dankbaar dat we die opvang hebben gehad. Je weet wat discipline is, wat aanpakken betekent, je hebt leren omgaan met het weinige dat men je biedt. En je hebt geleerd om alles wat je krijgt te waarderen.
[Familie en opvoeding]

Mijn vader was in Indonesië geboren, ik weet dat hij als contractant te werk was gesteld in plantage Peperpot, maar ik kan me niet herinneren dat ik ooit met mijn vader gesprekken heb gehad over waar hij vandaan kwam, of hoe zijn jeugd is geweest in Indonesië. Voor zover ik me kan herinneren was mijn vader overdag zelden thuis, hij was altijd aan het werk. En als hij niet aan het werk was, was hij op de kebon (kostgrond). Ons leven is niet makkelijk geweest. We waren al lang blij dat we iets te eten hadden, dat was onze grootste zorg. En we maakten ons zorgen over onze vader. Elke zaterdag wanneer de uitbetaling plaatsvond, wisten we dat we niets konden kopen wat wij eigenlijk wilden. Een gedhang goreng (gebakken banaan) of een saoto, daar was financieel geen ruimte voor. Dus daarover gingen onze gedachten: over genoeg eten en over genoeg kleren, over schoenen praat ik dan niet eens. Om dan te vragen: “Pak, hoe is het geweest in Indonesië, en waarom ben je hier gekomen?”. Die vraag kwam niet in je op. Als je leven in beslag wordt genomen door de zorg voor eten en drinken, dan is er geen ruimte voor andere vragen. Zo was mijn leven.
[Cultuur en identiteit]

Volledig interview

Interviewer: Marius Atmoredjo
Bewerkt door: Lisa Djasmadi op 23 mei 2010

DSC02524.jpg       onderscheiding crop.jpg

Woonplaatsen

  • Suriname 1943 -
  • Nederland -

Geef een cijfer aan dit interview!

593 stemmen , Waardering: 3.0 Rating_off Rating_off Rating_off Rating_off Rating_off