Achmad Mohamad Ismaïl

  • Naam Achmad Mohamad Ismaïl
  • Achternaam Ismaïl
  • Geboorteplaats Koewarasan
  • Geboortedatum 5 februari 1944

Samenvatting

Volgens mijn oom, die in 1954 naar Indonesië repatrieerde, kwam mijn vader uit Banyumas. Ik vermoed dat mijn vader uit Indonesië is weggegaan omdat hij het niet zag zitten om zijn vader op te volgen. Zijn vader was behalve zakenman ook geestelijke, maar mijn vader had geen zin om zijn geestelijk werk over te nemen. Wat mogelijk ook heeft meegespeeld, is dat mijn vader met een welgestelde vrouw getrouwd was, die geen kinderen kon krijgen.  Hij heeft haar in Indonesië achtergelaten. Rond 1927 kwam hij alleen in Suriname aan. Daar kwam hij terecht op Zoelen. Mijn vader was een geleerd man. Hij kon lezen en schrijven, hij  kende de Koran en de Bijbel en hij sprak een klein beetje Nederlands. Hij hoefde daarom niet op het veld te werken, maar in het laboratorium. Na zijn contractperiode besloot mijn vader in Suriname te blijven. Eerst begon hij op Poelepantje een ‘afdakje’ (kraam waar men landbouwproducten verkocht). Daarna is hij naar district Saramacca gegaan, waar hij trouwde met mijn moeder. Mijn vader is op zijn grond kokospalmen gaan planten. Van de kokos kon je spijsolie maken, maar de productie viel tegen. Naast landbouwer was mijn vader ook ambtenaar. Mensen kwamen naar hem toe wanneer ze wilden trouwen, of aangifte wilden doen van geboorte, overlijden of andere belangrijke gebeurtenissen. Hij zorgde ervoor dat de aangiften werden geregistreerd. Toen ik al volwassen was, hoorde ik van veel mensen dat ze ook voor religieuze zaken naar mijn vader gingen, ook niet-Javanen deden dat. Daar verdiende hij wel iets aan: niet in geld, maar in natura.
Mijn moeder, Jatinem, was geen doorsnee Javaanse vrouw. Zij was een sterke vrouw. Zij gaf in haar omgeving adviezen aan andere vrouwen over het gezin en nam heel veel jonge kinderen in huis. Haar moeder, mijn oma Toemina of zoals wij haar noemden Mba Tjilek, heeft haar kinderen haar eigen achternaam gegeven en niet die van haar man. Dat zegt veel over de eigenzinnigheid van mijn oma en mijn moeder.
[Familie en Opvoeding]


Door toedoen van Mba Tjilek, de moeder van mijn moeder, zijn mijn ouders in Koewarasan terecht gekomen, en daar werd ik geboren. Koewarasan was een vestigingsplaats waar Javanen na afloop van hun contract een stukje grond konden krijgen. Mijn oma en haar tweede man behoorden tot de eerste bewoners van Koewarasan. Zij hebben grote stukken maagdelijk bos bewoonbaar gemaakt en hun eigen huizen gebouwd.
Het Koewarasan van mijn jeugd telde zo’n 200 gezinnen. Iedereen deed aan landbouw. Om hun inkomen aan te vullen, werkte een aantal mannen bij ’s Lands Boerderij: een werkverschaffingsproject. Of ze werkten bij de expeditieploegen die voor de Dienst Domeinen landmeterwerkzaamheden verrichtten in het binnenland. Als je in mijn tijd naar Paramaribo wilde, moest je per korjaal de reis afleggen. Je vertrok in de avond en kwam de volgende dag aan op Poelepantje. Zo werden de landbouwproducten aan de man gebracht.
Bij Koewarasan had je de Santo en de Boma polder. Als er op Koewarasan een huis werd gebouwd, werden palmbomen uit de Boma polder omgehakt. De stam werd gesplitst en voor de wanden van het huis gebruikt. De bladeren aangevuld met het blad van een soort paloeloe (Surinaamse bosplant)en dat werd gebruikt voor de dakbedekking. Huizen werden gebouwd volgens het systeem van sambatan (wederzijdse hulp). Iedereen hielp elkaar.
Ik heb een bijzonder gevoel ontwikkeld voor Koewarasan. Ik heb er veel tijd doorgebracht, ook nadat we naar Billiton verhuisd waren en later in Paramaribo terechtkwamen. Door Koewarasan ben ik van het bos gaan houden. In het bos zocht ik naar maripa (vrucht van een bosplant), kes-kes-maka (vrucht van een bosplant) en andere bosvruchten, en ik jaagde er met mijn vrienden. Ik ben me pas gaan realiseren hoe gevaarlijk het was om in het bos te spelen, nadat een tijger in het dorp was verschenen. Een jager werd erbij gehaald en de tijger (Jaguar, in Suriname aangeduid met tigra) werd doodgeschoten. Ik heb meegedaan om de tijger af te voeren.
[Arbeid en Ondernemerschap]

 
Ik bleef tot de derde klas lagere school op Billiton wonen. Toen gingen wij opnieuw verhuizen. Mijn stiefvader bleef op Biliton werken en ik verhuisde met mijn moeder naar de stad. Daar runde mijn moeder een koffiekraam op de markt. Het was 1954. Die kraam was aan mijn moeder verkocht door mensen die naar Indonesië wilden repatriëren vertrekken en die het geld nodig hadden om de overtocht te betalen. In Paramaribo woonden wij aan de Saramaccastraat. Het huis was van de mensen van de koffiekraam. Wij woonden op een erf waar veel Javanen en Creolen woonden. Er was maar één waterkraan voor alle bewoners op het erf. Ik sjouwde elke dag met water. Ik werkte mee in de koffiekraam, maar ik deed het ook goed op school. Ik zat ik op de St. Leonardusschool aan de Zwartenhovenbrugstraat. Het was een katholieke school waar veel arme kinderen kwamen. Zij kregen eten en melk op school, maar ik maakte  daar geen gebruik van.
Na de lagere school wilde ik naar de technische school, maar één van de fraters, Frater Solanus, zei: ‘Nee, je bent veel te goed daarvoor. Je gaat naar de St. Paulus school gaan’. Ik heb dat advies gevolgd. Na de Paulus school was ik geslaagd voor het toelatingsexamen voor de Algemene Middelbare School (AMS). Ik was veertien jaar. Op de AMS was de sfeer anders dan wat ik gewend was op de Paulus school. Op de Paulus school was er openheid. De contacten met de docenten, de fraters, verliep in ongedwongen sfeer en er was gelegenheid om met hen in discussie te gaan. Ruimte voor sport was er ook en fraters deden mee. De wijze waarop de fraters met ons omgingen was veel beter voor onze ontwikkeling dan de  aanpak van de meeste Surinaamse docenten, met uitzondering van meester Lont.
Helaas ging het niet goed op de AMS. Het was te zwaar om te combineren met wat ik thuis moest doen. Inmiddels was mijn moeder terug gekeerd naar Koewarasan, omdat mijn oma en opa hun winkel niet meer zelf konden runnen. Ik was de helft van de tijd in Koewarasan. Mijn stiefvader werkte nog steeds op Biliton, dus ik was de enige man in huis met een beetje opleiding. Ik regelde alles in de winkel: van de balans opmaken tot het inkopen van de waren. Na vier maanden ben ik gestopt met de AMS. Het werd te zwaar. 
[Lering en Scholing]


In mei 1964 kwam ik naar Nederland om te werken bij het moederbedrijf Heidemij, nu ARCADE. In Suriname had ik gewerkt bij LARECO: een van Heidemij’s dochterondernemingen. Ik was niet echt onder de indruk van Nederland. Ik vond Nederland niet bijzonder, zoals andere Surinamers in die tijd plachten op te scheppen over Nederland. Ik herinner mij de dag dat ik aankwam. Het was volgens mij 18 mei 1964, vlak voor Pinksteren. Het was een mooie, zonnige dag. Meneer Krijgsheld kwam me van het vliegveld ophalen. Wij gingen met de KLM-bus naar het Centraal Station in Amsterdam en van daaruit met de trein naar Oosterbeek. Ik viel in de trein in slaap. 
Mijn eerste maaltijd in Nederland bestond uit gestoofde kip, aardappel en appelmoes, die ik gebruikte bij de familie Krijgsheld. Ze hadden een zoon die bij mij op de schoot klom. Misschien vond hij mij als ‘bruintje’ wel interessant. Op eerste Pinksterdag werd ik naar het pension gebracht. Het pension werd gerund door twee vrouwen: twee vriendinnen die samen een pension waren begonnen. Ik voelde me er direct thuis. De meeste jongens gingen om de  twee weken weg, maar ik bleef ik daar, samen met een Indo.
Toen ik na 5 jaar terug wilde naar Suriname, kreeg ik van LARECO het bericht dat er nog geen plek was voor iemand van mijn kaliber. Mijn contract werd ontbonden en zo bleef ik bij Heidemij in Nederland werken. Rond 1965 nam het aantal in Nederland studerende Javanen toe dankzij het beurzenstelsel die ook Javanen de kans gaf om in Nederland verder te studeren. Namen als Hoekon, Kelip, Soemar, Nora, Dinar, Saidi, Soegiman, Paimin en Soekiman horen daar bij. Er was een Javaanse studentenclub, die was opgericht door Nora. De club organiseerde aardige activiteiten, zoals kumpulans (gezellig samenzijn). Ook waren er bijeenkomsten om de vooruitgang van Javanen in kaart te brengen.
In 1973 ging ik over naar een andere werkgever en kwamen wij in Zoetermeer te wonen. Ik heb verder gestudeerd voor staal- en betonconstructeur. Dat deed ik toen de kinderen er al waren. Ik ben bij elkaar 20 jaar chef tekenkamer geweest tot aan mijn pensioen in 2006. Ik had waarschijnlijk sneller carrière gemaakt als ik bereid was geweest om uitgezonden te worden naar het Midden-Oosten. Ik heb daar niet voor gekozen, omwille van het gezin.
[Migratie en Transnationalisme]

Volledig interview

Interviewer: Hariëtte Mingoen
Bewerkt door: Hariëtte Mingoen
Datum: 5 juli 2009

      Achmad_Ismail_01_portrait_20-may-2010.JPG

Woonplaatsen

  • Suriname 1944 - 1964
  • Nederland 1964 -

Geef een cijfer aan dit interview!

506 stemmen , Waardering: 3.0 Rating_off Rating_off Rating_off Rating_off Rating_off