Opnamen [verplaatsen]

Juliete Surip

  • Naam Juliette Surip
  • Achternaam Surip
  • Geboorteplaats Moengo, Suriname
  • Geboortedatum 1944

Samenvatting

Ik heet Surip. Ik ben 66 jaar. Ik ben in Suriname geboren, op Moengo. Ik heb veel  broers en zussen. Van wat ik me kan herinneren had ik een zus, een broer, daarna kwam ik, na mij een tweeling en daarna nog een zusje. Ja, ik kan het me niet meer zo goed herinneren omdat ik werd grootgebracht door mijn siwa (verwantschapsterm voor oudere broer of oudere zus van vader of moeder). Ik werd door deze siwa, Pak Mijan, naar Indonesië gebracht. De anderen bleven allemaal achter in Suriname. Mijn siwa had zelf een kind, dus wij gingen met z’n vieren naar Indonesië.
Toen we vertrokken, dacht ik dat het net zo zou zijn als in Suriname. Ik was nog klein: 10 jaar.  Op de boot was ik de hele reis zeeziek. Ik kon niet opstaan. Ik kreeg medicijnen, maar ik hield niets binnen. Op de boot werd bij etenstijd rangsuuuuum! (letterlijk: rantsoeneren. In deze context: eten verdelen) geroepen. In Tongar kregen wij een barak toegewezen in blok A. Het was hier heel stil. Het was bos, rimboe. Als het 6 uur ‘s avonds was, mochten wij niet naar buiten. Men zei dat er tijgers waren. Ik heb er zelf nooit eentje gezien, maar ik was wel bang omdat het hier nog bos was. 
Toen ik net in Tongar was, vond ik het veel prettiger in Suriname. Mijn pleegmoeder huilde veel. Ze zei: ‘Als ik wist dat het zo zou zijn was ik niet meegekomen’. Wat ze het ergste vond, was dat ze hier opnieuw moesten beginnen. Er waren mensen die het hadden willen kopen, maar van de Stichting mochten ze geen geld meenemen uit Suriname en ook niet te veel goud.
[Migratie en Transnationalisme]


Cassave moesten wij in het begin kopen van de lokale mensen, omdat we nog niet waren begonnen met planten. Mensen uit Bandarejo kwamen hier verkopen. Soms kochten wij talas (knolgewas), maar we werden voor de gek gehouden omdat het wilde talas was, als je dat at smaakte het niet, je kreeg er jeuk van in je keel. Wij aten het gekookt of gefrituurd of we maakten er soep van: brafusoep (Surinaamse soepgerecht), net als in Suriname. Ik huilde, want ik was in Suriname gewend om met brood te ontbijten. Maar we konden niet anders dan onze eetgewoonten veranderen. Rijst aten wij met ikan asin (zoute vis). Dat konden wij kopen op de markt in Simpang Empat. Mijn moeder kocht kleine visjes, zodat er voor iedereen genoeg was. Het werd gebakken en met sambal gegeten. Als groenten aten wij papaya en later tayawiri. Binnen een maand kan het al worden geoogst. De bibit (zaaizaad of zaailing) hadden wij meegebracht uit Suriname. Van bitawiri (bitterblad, Surinaamse groentensoort) brachten de gezinnen stekken mee. Spinazie en Okro (Surinaams woord voor Okra, groentensoort) hadden wij ook meegenomen. In Suriname zeiden ze dat het vitaminerijk is en goed voor het bloed. Er was ook gerookte vis, dat brachten wij ook mee. Wat wij daar ook aten was een geschubde vissoort: kwi-kwi. Dat werd klaargemaakt met masala (kruidenmengsel voor een curry gerecht) , net als in India. Dat was geel.
[Cultuur en Identiteit]


Ik ben op mijn 17e getrouwd. Mijn eerste man is al overleden. Daarna ben ik met mijn huidige man getrouwd. Beiden komen uit Suriname. Ik heb veel kleinkinderen en drie achterkleinkinderen. Met Nieuwjaar komen ze allemaal en dan vertel ik weleens over vroeger en over Suriname. Maar de kleinkinderen zijn bandel (recalcitrant, onhebbelijk, stout). Als ik hen vertel over wat ik vroeger moest doen, dan zeggen ze: ‘Dat was vroeger oma’. De kinderen van tegenwoordig zijn nergens bang voor. Als vroeger mijn vader en moeder alleen al naar mij keken, dan wist ik al wat er van mij werd verwacht. Tegenwoordig komen ze thuis, ze spelen met hun mobiel en kijken naar televisie. Ik moest vroeger na school naar de sawah (rijstveld) om vogels te verjagen. Mijn vader had koeien en ik moest gras snijden. Ik ben zelfs een keer door een agressieve koe omver gegooid.

Tongar is veranderd. Nu is er veel bedrijvigheid, maar vroeger was het stil. Er waren geen goede wegen, geen auto’s, er was geen werk. Tegenwoordig kun je werken bij een onderneming, of je kunt een eigen bedrijfje beginnen. En eten zoeken is nu veel gemakkelijker. Vroeger moesten wij van onze ladang (kostgrond) leven: groenten planten, pinda, maïs. Dat moest allemaal eerst worden gepeld en dan pas kon je het verkopen. Daarom waren veel mensen uit Tongar weggegaan: naar Pekanbaru, Medan, Jambi. Ze gingen ver, omdat er in de naaste omgeving van Tongar ook geen mogelijkheden waren. Degenen die hier nog wonen zijn de achterblijvers.  Alleen de eerste vijf jaren was het hier levendig, maar door de binnenlandse oorlog is het snel uiteen gegaan. 
[Familie en Opvoeding]


In Tongar wonen Javanen uit Java, net als in Bandar Rejo, Kotaburu.  Maar mensen van buiten zeggen dat wij anders zijn: dat wij anderen niet lastig vallen en dat wij geen ruzie maken. Overal zijn er wel Javanen, maar de mensen van Tongar zijn anders dan die van Juranggo. Daar gaan de jongeren elkaar te lijf, maar hier is dat niet zo. Ik weet niet of het te maken heeft met onze Surinaamse achtergrond, of dat wij gewend zijn aan een miserabel bestaan, maar als een dorpshoofd ons iets zegt, dan zeggen wij: ja, ja, ja. Wij zijn volgzaam. In Juranggo strijden ze met elkaar. Als iemand een auto heeft, wil de ander er ook een. In Tongar zijn wij blij als een buur zich dat kan veroorloven, want je kunt het ook lenen of huren. Wij zijn niet gauw jaloers, er is nog onderlinge hulp als iemand een feest geeft of als er rouwbijeenkomsten zijn bij overlijden. Wij helpen elkaar.
[Cultuur en Identiteit]


Volledig interview

Interviewer: Amorisa Wiratri
Vertaald en bewerkt door: Hariëtte Mingoen
Datum: 15 maart 2010


Surip_01_portrait_15032010.JPG

Woonplaatsen

  • Suriname 1944 - 1954
  • Indonesia 1954 -

Geef een cijfer aan dit interview!

559 stemmen , Waardering: 3.0 Rating_off Rating_off Rating_off Rating_off Rating_off