Opnamen [verplaatsen]

Giman Karto Sentono

  • Naam Giman Karto Sentono
  • Achternaam Sentono
  • Geboorteplaats Lelydorp, Suriname
  • Geboortedatum 1940

Samenvatting

Ik ben in 1940 geboren op Lelydorp. Javanen zeggen: Kopidjompo. Ik kom uit een gezin van zeven kinderen. Ik ben nummer twee en de enige jongen in het gezin. Ik was veertien toen ik naar Indonesië kwam. In het begin, toen het nog moeilijk was in Tongar, heb ik zwaar werk gedaan. Mijn zusjes konden het zware werk niet doen, dus moest ik wel helpen. Ik heb areng (houtskool) gemaakt. Volgens mij had ik het in vergelijking met mijn leeftijdgenoten het zwaarst gehad. In Suriname heb ik mijn ouders ook geholpen, na school om gras te zoeken voor de koeien en om tapioca te produceren. De inkomsten uit de tapioca werden gestort bij PBIS om de reis naar Indonesië te betalen.
Toen wij nog weinig te eten hadden, gingen wij naar de mensen die in de omgeving woonden. Wij vroegen of wij in hun tuin naar eetbare planten mochten zoeken. Er was een plant die groeide als je de grond na verbranding van het onkruid schoon had gekregen. Ze noemen het jenthik manis. Dat was eetbaar en lekker, daar werd urap (gerecht van gekookte groenten met pikante geraspte kokos) van gemaakt.
Ik heb hier ook op school gezeten, de  SR (Sekolah Rakyat: volksschool) was dat vroeger. Ik heb klas 5 en klas 6 gedaan en daarna de SMP. Maar door de PRRI moest ik stoppen met school. Ik zat pas in de derde klas. Ik vertrok naar Jambi, daar heb ik gewerkt voor PT Hidup Baru. Dat was een bedrijf van iemand uit Suriname. Hij was ook meegekomen met de Langkoeas. Dit bedrijf had afdelingen in Balikpapan, Jambi en Jakarta. Ze bouwden wegen, vliegvelden en hadden een busbedrijf. Ik was bij PT Hidup Baru samen met Sakri, die later directeur is geworden van PERURI. Hij had het beter getroffen dan ik. Hij kreeg van PT Hidup Baru een beurs om naar Solo te gaan.
Bij elkaar ben ik drie jaar weggeweest, toen ben ik terug gegaan naar Tongar . Mijn vader was ondertussen in Tongar begonnen met de aanplant van kruidnagel en dat moest worden verzorgd. Ik ging daarom niet meer weg en bleef bij hun.
[Arbeid en Ondernemerschap] 
[Migratie en Transnationalisme]


Ik ben SEKDES (Sekretaris Desa) geweest in de tijd van Pak Hardjo. Ik weet niet wat er met de grond van de Stichting is gebeurd. Hoewel ik SEKDES was, ging ik niet over Stichtingszaken, maar over dorpsaangelegenheden die te maken hadden met de openbare werken. Pak Hardjo is degene die  weet wat er met de grond gebeurd is. Hij beschikte over alle belangrijke documenten die gaan over de grond en hij was ook degene die wist wat de afspraken waren met de transmigranten.
In 1987 werd ik voorzitter van de LKMD. Dat kun je vergelijken met de volksvertegenwoordiging, maar dan op dorpsniveau. In die tijd was het dorpshoofd Budiman, de schoonzoon van Hardjo. Na Hardjo waren zijn dochter Martini en haar man Kamsuni dorpshoofd geweest. Daarna kwam Haryanti: ook een dochter van Hardjo, en na Haryanti werd haar man Budiman dorpshoofd. Toen Budiman dorpshoofd was, won Tongar een prijs: wij waren het beste dorp van de provincie. Wij vertrokken met z’n drieën – Budiman, Haryanti en ik, naar Jakarta om de President te ontmoeten. Wij werden ontvangen in het presidentieel paleis en er was een etentje in Taman Mini. In datzelfde jaar, 1987, kreeg het dorp hulp van de regering. De weg werd geasfalteerd en we kregen elektriciteit.
[Migratie en Transnationalisme]


Ik heb zes kinderen en ze hebben allemaal de SMA gehaald. Eén is verder gegaan en heeft op de IKIP in Padang gestudeerd. Hij is nu docent op de SMK. En één werkt bij Caltex, en combineerde zijn werk met een studie. Mijn kinderen kunnen allemaal Javaans spreken, maar mijn kleinkinderen spreken voornamelijk Indonesisch. Onder ons komen Javaanse gewoonten nog voor. Bijvoorbeeld bij overlijden wordt er een slametan (religieuze offermaaltijd) gehouden vanaf de 7de  tot de 1000ste  dag. De uitvoering is wel anders dan vroeger. De ambeng (slametan gerechten) wordt niet meer met bananenblad uitgezet, maar in kommen en schalen.  
Hier in Tongar hebben wij geen herdenking rondom onze komst naar Indonesië. Het punt is dat wij hier maar met weinigen zijn. De meerderheid vertrok naar elders, slechts een kwart van de mensen is hier gebleven. En nu zijn de meesten van hen al gestorven, terwijl onze kinderen zijn opgegaan in de gemeenschap van Tongar. In 1968 hadden wij het departement van Transmigratie gevraagd om 100 gezinnen hier te plaatsen. Er waren met te weinig mensen om het land te bewerken. Door de komst van deze Javaanse gezinnen veranderde Tongar van karakter. Het is niet meer een dorp van Javanen uit Suriname, zoals Tongar in het begin was.
[Migratie en Transnationalisme]
[Cultuur en Identiteit]



Volledig interview

Interviewers: Amorisa Wiratri en Ayumi Malamassam
Vertaald en bewerkt door: Hariëtte Mingoen
Datum: 13 maart 2010


Giman_02_portrait_13032010.jpg     giman_01_portrait_13032010.JPG

Woonplaatsen

  • Suriname 1940 - 1954
  • Indonesia 1954 -

Geef een cijfer aan dit interview!

533 stemmen , Waardering: 2.9 Rating_off Rating_off Rating_off Rating_off Rating_off