Opnamen [verplaatsen]

Ngadimin Saridjo

  • Naam Ngadimin Saridjo
  • Achternaam Saridjo
  • Geboorteplaats plantage Peperpot, Suriname

Samenvatting

Ik ben geboren op Peperpot, in een pernasi (plantage) huis. Dat was een klein, lang huis. Het was niet ons eigen huis. Mijn vader was gescheiden van mijn moeder, die opnieuw trouwde met Saridjo. Ik ben bij mijn vader gebleven en alleen met Hari Raya (het Nieuwjaarsfeest) en eenmaal in de zes maanden ging ik naar mijn moeder toe.
Ik hield van voetballen toen ik klein was, ik was best goed. Wij speelden samen: negro (Creolen), orang India (Hindostanen) en wij. Wij oefenden op woensdag en zaterdag, en de wedstrijden waren op zondag. Mijn dorp was Leiding 5 en wij speelden met clubs van andere nummers. Dat stond vroeger bekend als Kasabaholo. Op een keer was ik flauwgevallen omdat de bal heel hard mijn kruis raakte. Daarna mocht ik van mijn vader niet meer voetballen. De negerjongens speelden erg rusuh (ruw), ik werd voortdurend geschopt.
Ik ben naar Indonesië gekomen toen ik al volwassen was. Ik ben met mijn schoonouders gegaan, mijn vrouw en mijn drie kinderen: Ngadimun, Thukul en Rambat. Ik heb veel broers en zussen in Suriname wonen, maar zes of zeven van hen zijn al overleden.
Ondertussen heb ik 29 kleinkinderen, maar volgens mij heb ik er meer, er zitten ook achterkleinkinderen bij. Ik heb ook nog een vrouw en kind in Suriname. Ze wonen op Kopidjompo (Lelydorp), maar ik heb nooit meer iets van ze gehoord. Ik had ook geen afscheid genomen.
In mijn leven heb ik 4 vrouwen gehad. De derde is dertig jaar geleden overleden. Deze laatste vrouw is om mij gezelschap te houden. Als het aan mij lag hoefde ik niet te trouwen, maar wie kookt er voor mij als ik me niet goed voel, en wie wast mijn kleren? Zij is gelukkig tevreden, ze accepteert onze situatie. Mijn vorige vrouw ook. Als ik geen geld had, zei ze niets. Dan aten we wat er was. En als er weer wat geld was, ging ze boodschappen doen.
[Familie en Opvoeding]
[Migratie en Transnationalisme]



Toen ik klein was, verhuisden wij van Peperpot naar Leiding 5. Daar hadden wij onze eigen grond: 5 hectare. Mijn vader en ik bewerkten het. Het was enkel ploegen en planten, we gebruikten geen kunstmest. Als wij oogstten, dan haalden we 400 tot 500 goni (zak van 70 kilo) binnen. Wij bewerkten de grond volgens de gotong royong (wederzijdse hulp). Gotong royong kost je niet veel arbeidsloon. Wij deden dat om de beurt met vrienden, vandaag bij mij, morgen bij jou en zo het hele dorp door. Dat deden wij niet alleen bij het planten, maar ook bij het oogsten en het dorsen. Dan slachtten wij 40 kippen en kochten 4 of 5 flessen sopi (sterke drank). Zij die gingen werken, dronken eerst wat van de sopi. Dat zorgde ervoor dat we het niet koud hadden, en het gaf kracht. De kip werd niet als hier klaargemaakt. Daar in Suriname hielden ze niet van gule (gerecht met veel kruiden en santen). De kip werd meestal gesmoord in kecap (ketjap). Als ze eten, genieten ze ervan. En als ze sopi drinken, dan eten ze niet zo veel. 
In Suriname was mijn schoonvader, pak Suwardi, mandor. Hij was rijk. In Suriname had hij 36 koeien. Ik deed het zelf ook niet gek. In Leiding 5 had ik 21 koeien. Vroeger kostte een stier 35 tot 40 gulden, een koe 20 tot 25 gulden en een kalf 15 gulden. Dat was veel geld in die tijd. De koeien waren groot, heel groot. Je kon verdienen aan het vlees en aan de melk. Ik molk de koeien in Kasabaholo samen met Basdur. Om half vier ’s ochtends was ik al op en om half zeven was ik pas klaar. Per koe kon ik een emmer melk krijgen. Elke emmer werd gekeurd, dat was heel streng. Als de melk was gemengd met water kreeg je een boete.
In Suriname voelde ik me goed, ik was sterk en werd niet zo gauw ziek. Hier in Tongar ben ik ziek geworden. Ik heb in het begin hard gewerkt, ik heb vroeger ook rondgetrokken om te werken: Bukittingi, Padang… Maar nu blijf ik thuis. Mijn derde vrouw, vrouw die 30 jaar geleden overleden is, heeft meegemaakt dat ik veel weg was van huis. Ik heb van alles gedaan om aan geld te komen: houthakken, houtzagen, wegenbouw… Ik fietste vroeger  naar Air Bangis om te werken, dat was 60 kilometer verderop.  
[Arbeid en Ondernemerschap]


In Suriname had ik 5 hectare grond en 21 koeien, waarom wilde ik terug naar Indonesië? Ik weet het niet. Ik ging met mijn schoonvader, niet eens met mijn eigen vader. De grond en koeien liet ik bij mijn vader. Ik heb spijt dat ik ben meegekomen. Pak Hardjo zei: ‘Je laat één bord eten achter, maar je krijgt er vijf borden voor terug’. Ik betaalde in Suriname belasting, dat was 15 gulden per jaar. Dat was voor de grond. Als je een huis had van cement, dan betaalde je ook belasting. Was het van hout, dan betaalde je niets. De belasting varieerde ook met de grootte en hoogte van je huis. Ik had een huis in Leiding 5, dat was niet gecementeerd. De belasting was daarom 6 tot 10 gulden per jaar. Dat werd gecontroleerd.  Alles was goed geregeld in Suriname. Het water kwam van de polder en de overheid zorgde daarvoor. Eens in de drie maanden werd dat schoongemaakt. Iedereen had een eigen toegang tot het water. Na de plantperiode kon je in de polder vissen. Er waren zoveel vissen, iwak gabus, iwak kwi-kwi. Als je naar school wilde en je kon het niet betalen, dan werd je geholpen. Het was goed in Suriname, wij hadden koffie, jeruk we, nangka, cassave. Als de nangkabomen fruit gaven, werden ze met een truck naar de stad gebracht, zo groot waren de vruchten.
De reis naar Indonesië duurde 1 maand en 10 dagen. Ik was zeeziek. Wij reisden via Kaapstad. Wij passeerden de evenaar. De golven waren heel hoog. Op de boot kregen wij goed te eten: vruchten brood, rijst. Je hoefde er maar om te vragen. Daar hadden we natuurlijk zelf voor betaald.  Toen we aankwamen in Tongar hadden de kinderen gehuild. In Suriname hadden ze brood gegeten, dat was goedkoop daar. Een brood kostte 1 cent en een hele grote 2 cent. Dat aten ze met boter en sardien. Boter koste 3 cent voor een klein pak en 8 cent voor een grote. Hier moesten ze teloh (cassave) eten, want brood was te duur. In Tongar heb ik voor de Stichting gewerkt. Dat deed ik 7, 8 jaren. Ik maakte het bos open. Daarna ging ik in de fabriek werken. Er was een houtzagerij. Het was beloofd dat wij 5 hectare zouden krijgen, maar ik heb maar 3 hectare gekregen. Daar heb ik nog een halve hectare, maar waar de resterende anderhalve hectare is gebleven weet ik niet. Ik was ook geroepen door de politie. Ze hadden vragen gesteld over de verkoop van de grond, maar ik heb niet verkocht en ik weet niet wie het dan wel verkocht heeft.
Ik voel spijt dat ik me heb gescheiden van mijn familie. Wat ik ervoor terug gekregen heb, spijt mij ook. Hoe kun je geen spijt hebben? Ik heb immers mijn familie en mijn ouders verlaten. Nu zijn ze al gestorven, dus als ik daar naartoe zou gaan, zou ik ze niet eens meer terug kunnen zien. Laatst was mijn adik (jongere broer) hier gekomen. Hij wilde mij naar Suriname brengen. Ik wilde niet. Ik heb daar een kind, maar ik heb hier nog meer kinderen. En mijn vrouw is al oud, ik kan haar toch niet achterlaten?
[Migratie en Transnationalisme]


Toen ik een jongeman was, deed ik ook aan Javaanse kunst. Ik speelde ludruk (volkstoneel). Ik speelde vaak cumpling: van de twee komieken cumpling en geblog. De rol van cumpling was niet zo gemakkelijk. Nu speel ik niet meer, want ik sholat (ik bid, ben tot geloof overgegaan).  In Suriname hield ik niet van kaartspelen. Ik hield wel van drinken, maar niet overmatig. En ik hield van dansen. Ik danste met mooie Nederlandse vrouwen. Dat was in Paramaribo. Als ik uit dansen ging, had ik een jasje en een das om. Ik kamde mijn haar en gebruikte lengo wangi (eau de cologne). Als ik naar een feest ging, dan werd ik gevraagd om te komen dansen. En als ik dan zei dat ik niet kon, dan trokken ze me op de dansvloer en dan leerden ze mij hoe het moet. Nederlanders hielden van Javanen. Javaanse vrouwen werden aangetrokken door Nederlandse mannen en Nederlandse vrouwen voelden zich aangetrokken tot Javaanse mannen. Er was een Nederlandse vrouw die met mij wilde trouwen, maar ik wilde niet. Een familielid van mij is wel getrouwd met een Nederland, maar hij is volgzaam en volgt de Javaanse gewoonten. Op zijn veertigste werd hij besneden:  disunati dèhke manut. En ze trouwden volgens de Javaanse traditie, met kembar mayang (traditioneel bruidsboeket met handgemaakte stukken die  vruchtbaarheid, voorspoed en geluk symboliseren).
[Cultuur en Identiteit]


De afstand van Leiding 5 naar Paramaribo was niet zo ver. Ik deed dat met de bus. Ik ging ook rond met de fiets of met de bromfiets. In Leiding 5 was het dorpshoofd een Javaan. Er was een kaum (religieuze voorganger), een kebayan (ordehandhaver), een carik (schrijver), een kamitua (raad van oudsten), alles was er. Ze werden gekozen door de masyarakat (het volk). Er werd gekeken wie er geschikt zou zijn, wie becik (eerlijk, integer) is. Een lurah (dosphoofd) kreeg 2,5 hectare als bengkok (vergoeding). Dat hoefde hij ook niet zelf te bewerken, daarvoor draaide de masyarakat op. Dat werd georganiseerd in gotong royong. Maar o wee als de lurah niet eerlijk was, dan werd hij door de mensen aangepakt en aangevallen, di kroyok.
Om de drie maanden kwam er  een dokter en een vroedvrouw van de overheid. We werden dan bij elkaar geroepen en iedereen werd onderzocht. Degenen die erg ziek waren, werden naar de stad gebracht, zonder dat ze daarvoor hoefden te betalen. Hier moeten wij voor alles betalen.
In Suriname toonde ik respect voor oudere mensen. Als ik op de fiets was en ik kwam oudere mensen tegen, dan stapte ik van mijn fiets af en dan zei ik: ‘Nderek langkung Mbah nopo Pak, kulo bade langkung ajeng bade tindak mriko’ (‘Pardon mevrouw of meneer, ik ga u voor, want ik moet daar en daar zijn’). Tegenwoordig lopen kinderen je zomaar voorbij of omver. Ik heb het een keer meegemaakt dat iemand zijn bromfiets juist gas gaf, dat is toch niet correct? Ik heb veel geholpen met het bedienen van mensen. Sinom (knielend) deed ik dat. Dan zei ik: ‘Monggo kulo aturi dahar Mbah’ (‘Alstublieft, ik nodig u uit te gaan eten), in het Hoog-Javaans. Tegenwoordig doen ze dat niet. Ze zeggen gewoon: ‘Mangan, Mbah’ (‘Eten, Mbah’), echt zonder respect voor ouderen. Als ik in Leiding 5 naar een melèkan (nachtelijke samenkomst) ging, dan droeg ik een udeng (hoofddeksel), een klambi (hemd), een kaos putih (wit T-shirt) met een songket (geborduurde riem) om het middel en een katok komprang (traditionele wijde broek). Als je dan op je hurken moet zitten, dan is dat gemakkelijk. Als ik naar een tayub (dansfeest, waarbij mannen tegen een vergoeding mogen dansen met de danseres) ging, dan had ik een hemd met das en een jas aan. Als mijn broek zwart was, dan droeg ik witte schoenen en ik droeg een horloge. In Suriname zorgde ik ervoor dat ik er piekfijn uitzag. Alles moest bij elkaar passen. Ik heb drie jassen meegenomen naar Indonesië en veel dassen. Die heb ik hier weggegeven aan mensen. Ik had ook een gouden horloge meegenomen en twee ringen, de rest heb ik verkocht.
[Migratie en Transnationalisme]


Volledig interview

Interviewers: Amorisa Wiratri en Ayumi Malamassam
Vertaling en bewerking: Hariëtte Mingoen
Datum: 17 maart 2010



Ngadimin_01_portrait_16032010.jpg         Ngadimin_02_portrait_17032010.jpg

Woonplaatsen

  • Suriname 1929 - 1954
  • Indonesia 1954 -

Geef een cijfer aan dit interview!

995 stemmen , Waardering: 3.0 Rating_off Rating_off Rating_off Rating_off Rating_off