Opnamen [verplaatsen]

Sakri Ngadi

  • Naam Sakri Ngadi
  • Achternaam Ngadi
  • Geboorteplaats district Saramacca (Suriname)
  • Geboortedatum 24-1-1941

Samenvatting

Ik ben geboren in het district Saramacca. Daar heb ik niet lang gewoond. Ik werd door mijn opa, de vader van mijn moeder, naar de Simonspolder in Domburg gebracht. Na de zesde klas vertrok ik met opa en oma naar Indonesië. Mijn ouders gingen niet mee. Zij zouden ons met de tweede boot nareizen. Aan mijn broer, mijn zusje en mij werd gevraagd wie mee wilde. Mijn broer en mijn zusje wilden niet. Ik wel, ik was nieuwsgierig naar Indonesië, want ik had op school al iets over Indonesië geleerd. De eilanden kende ik uit mijn hoofd. Ik vond het leuk op de boot. Ik was een kind en erg bandel (stout, tegendraads). Ik maakte vrienden met de mensen die op de boot werkten. Zij kwamen uit Indonesië. Ze waren aardig: ze gaven me brood, van alles. In Tongar vond ik het leuk. Ik was dertien, dus ik had veel meer oog voor spelen dan voor de soesa om me heen. Ik voetbalde graag. Mijn grootouders huilden, want ze hadden het redelijk goed gehad in Suriname. Velen hadden net als zij spijt. Een aantal maakte contact met de familie op Java, vooral degenen die altijd al contact hadden onderhouden met hun familie. Maar er waren er ook, waaronder mijn grootouders, die helemaal geen contact wilden, ik weet niet waarom. Het contact met mijn ouders onderhielden wij uiteraard wel; we schreven elkaar. Wij hadden ze geadviseerd om niet te komen, hier was het ellende.
In Tongar hadden wij van alles aangepakt. Wij maakten tapioca, houtskool en werkten voor de Dinas Pertanian om bos schoon te maken. Wij leerden van elkaar hoe het moest, want wij zagen hoe onze ouders het deden. Pak Sastro was in Suriname landbouwopzichter geweest op Lelydorp, voor die tijd al heel wat. Hij was één van de leiders van Yayasan Tanah Air. Maar hoog of niet, iedereen moest aan landbouw doen, anders had je niets te eten. Men plantte rijst op droge grond, cassave, pinda, maïs.   Iedereen deed agrarisch werk.
[Migratie en Transnationalisme]


In Tongar begon ik in de 6e klas, daarna ging ik naar de SMP. Toen ik overging naar de derde klas, brak de PRRI uit. Toen was het afgelopen met school. Wij hadden een studiegroep gevormd, de Persatuan Murid Sekolah (PMS). Hoewel er geen school was, kwamen we toch bij elkaar. Degene die goed was in een bepaald vak, gaf les aan de anderen. Ik gaf algebra en ik kan me herinneren dat Pak Basar meetkunde gaf. We gaven les ook aan de kinderen van de lagere klassen. Dat duurde zeker twee jaar, van 1957 tot en met 1959.
In 1959 drong het leger binnen en bataljon 46 Kodam Diponegoro nam de leiding over. In die periode gingen de meesten van ons weg. In 1960, na de PRRI, ging ik naar Jambi om werk te zoeken, samen met de vader van mijn toekomstige vrouw, Pak Sastro, en met Rosmijan, Karno, en Ribut. In Jambi kwamen wij terecht bij PT Hidup Baru: een groot contractorsbedrijf dat bezig was om vliegvelden en snelwegen aan te leggen. Pak Sastro zat in de directie. De oprichters van PT Hidup Baru waren twee broers afkomstig uit Suriname: Warto en Wakjian Kromoyahyo. Zij waren erin geslaagd een eigen bedrijf op te richten en riepen hun vrienden, waaronder mijn toekomstige schoonvader, op om samen het bedrijf te runnen. Ik kreeg werk bij de reparatieafdeling van het bedrijf en woonde in een soort asrama [soort internaat]. Mijn boeken van de tweede klas SMP had ik meegenomen en na het werk studeerde ik. Ik schreef me in voor het staatsexamen en ik slaagde. Ik had drie jaar geen onderwijs gehad, maar slaagde toch. Iedereen was blij voor mij. Ze zeiden ‘Jij krijgt een beurs van ons en later moet je ons helpen het bedrijf te managen’. Het was dus als kadervorming bedoeld. Mijn leven bestond uit leren, proefwerken en examens. Ik haalde het na drie jaar.
[Lering en Scholing]
[Arbeid en Ondernemerschap]


Toen de Indonesische revolutie aan de gang was, heeft Johannes Kariodimedjo, die het zelf heeft kunnen vertellen – hij was in 1948, 1949 parlementslid in Suriname - middelen gezocht om de Indonesische revolutie te steunen. Tweedehands kleding, geld, van alles stuurde hij hier naartoe. Hij was toen in de dertig. De spirit van de onafhankelijkheid van Indonesië was tot in Suriname doorgedrongen en iedereen wilde terug naar Indonesië. De terugkeer naar Indonesië werd een hot issue, iedereen sprak erover. Je kan het vergelijken met verkiezingen. De KTPI was in het zwart: zwart uniform, zwarte ster, zwarte peci (hoed gemaakt van fluweel) en een keris (kris). Zij lieten zich zien: showing off. De KTPI was net als de PDIP hier. Zij waren aanwezig op feesten en wie niet tot de aanhang behoorde, mocht er niet in. In die tijd, tussen 1950 en 1952, was er verdeeldheid, zelfs binnen families. Ik heb dat ook ondervonden. Tegen mij werd gezegd: kijk niet naar hem, hij is de zoon van een KTPI-er.  Terwijl wij kinderen er niets mee te maken hadden en geen onderscheid zagen. Er werden ook flauwe grappen over en weer gemaakt. Vrouwen zeiden: ‘Wat is dat, de KTPI? Dat is Katepeok (slappe boel). En de KTPI-ers zeiden van de PBIS: mbebeki (de kluts kwijt zijn en rondlopen als kwekkende eenden). Hoewel er geen fysieke confrontaties plaatsvonden, waren de tegenstellingen wel degelijk voelbaar. Relaties werden verbroken en jonge mensen die een relatie hadden of al verloofd waren werden gedwongen om uit elkaar te gaan.
[Migratie en Transnationalisme]


Het begin van de Paguyuban Suriname was een idee van Johannes Kariodimedjo. Aanleiding was het overlijden van één van ons in Jakarta. Na de begrafenis zei hij: ‘Het zou toch mooi zijn als wij, die hier in Jakarta zijn, contact houden om met elkaar lief en leed te delen’. Zo is de vereniging ontstaan, met Kariodimedjo en Rosmidi, Albert en mij als bestuursleden. Dat was in de jaren ’80. Een voorbeeld van onze hulpverlening was Pak Merlekan. Hij was erg rijk toen hij naar Tongar kwam. Hij bleef niet in Tongar, maar ging naar Surabaya, naar zijn familie. Wij weten niet wat er met zijn rijkdom is gebeurd, maar wij kwamen hem tegen in Jakarta. Hij werkte in een bioscoop in blok A. Hij was helemaal berooid. Wij hebben hem geholpen tot zijn overlijden.
Vroeger werkten wij met bijdragen en als er iemand in nood zat, dan zamelden wij geld van iedereen in en schonken het aan die persoon. Later kwamen er meer mensen bij. Zij die al gepensioneerd waren in Pekanbaru of Padang kwamen in Jakarta wonen, dus hadden we ook meer mensen om bestuurlijke verantwoordelijkheid te nemen. Kariodimedjo heeft het twee jaar gedaan en na hem Sentot. Hij heeft het meer dan tien jaar gedaan. Later kwam het in handen van vrouwen die er een levendige arisan (spaarclub) aankoppelden. Dat werd later vervangen door twee bijeenkomsten per jaar: een keer in februari om onze aankomst te gedenken en een tweede keer met Nieuwjaar, soms met kerstfeest. Iedereen werd dan gevraagd om iets klaar te maken. Omdat de groep groot was geworden, moesten wij zelfs een zaal huren. De vijftigste herdenking had een officieel tintje met de ambassadeurs die uitgenodigd werden. Wij hebben geprobeerd onze kinderen erbij te betrekken door ze iets voor zichzelf te laten organiseren. Ik vrees dat wanneer wij er niet meer zijn, de vereniging uit elkaar spat. De emotionele band is belangrijk en die hebben zij niet. Zij zijn hier geboren.
[Verenigingsleven en Welzijn]


Volledig interview

Interviewers: Amorisa Wiratri en Ayumi Malamassam
Vertaald en bewerkt door: Hariëtte Mingoen
Datum: 15 april 2010



Fx. Sakri Ngadi_02_portrait_15-April_2010.jpg    Fx Sakri Ngadi_01_portrait_15_April_2010.jpg

 

 

 

 

Woonplaatsen

  • Indonesia 1954 -
  • Suriname 1941 - 1954

Geef een cijfer aan dit interview!

628 stemmen , Waardering: 3.0 Rating_off Rating_off Rating_off Rating_off Rating_off