Opnamen [verplaatsen]

Sarmidi

  • Naam Sarmidi
  • Geboorteplaats Hampton Courtpolder, district Nickerie (Suriname)
  • Geboortedatum 1934

Samenvatting

Ik ben geboren in Suriname. Mijn vader komt uit Yogya en mijn moeder uit Solo. Mijn ouders hadden twaalf kinderen: zes jongens en zes meisjes. Ik ben hun zesde kind. Ik ben weggegeven aan een ander echtpaar toen ik nog in de buik van mijn moeder was. Direct na mijn geboorte werd ik meegenomen dus ik heb niet van de borst van mijn moeder gedronken. Met mijn pleegouders kwam ik naar Indonesië. Wij woonden tot ons vertrek in de Hampton Courtpolder in het district Nickerie. Het vreemde was dat ik zeker drie maanden voor vertrek geen contact had met mijn familie. Ik kan nog steeds niet verklaren waardoor dat kwam. En wat ik ook vreemd vond was dat ik pas na drie jaar weer aan mijn familie in Suriname dacht. Eerlijk, hoe het komt dat ik daarvoor niet aan hun dacht, kan ik niet verklaren. Ineens realiseerde ik me: ik heb familie in Suriname. Soms denk ik, hebben ze iets met mij gedaan?
De PBIS heeft ons hier naar toe gebracht. Hun propaganda klopte niet. Toen ik hier aankwam en uit de auto stapte, huilde ik. Ik heb vergaderingen bijgewoond, waar Pak Hardjo, de leider, vertelde:‘Je eet hier één portie, maar in Indonesië kun je vijf porties eten. Breng geen goud, want goud heb je veel in Indonesië.’ Ik wist niet dat wij op Sumatra zouden aankomen. Mijn vader kwam toch van Yogya? Ik heb twee ringen meegenomen, die heb ik hier moeten verkopen om te kunnen eten. De beloofde vijf hectare heeft niemand gekregen. Mijn vader en ik hebben zelf land gekocht, ik heb slechts één hectare gekregen. Ik heb heel hard gewerkt om bos open te kappen. Ik heb aan landbouw gedaan en gewerkt als houtzager. Ik zocht hout en zaagde het in planken. Ik verkocht ze in Simpang Empat. Ik had het in Suriname nooit gedaan, maar hier moest ik wel. Iedereen berustte uiteindelijk in de situatie, waar kon je anders naar toe? Als onze leiders mulus (eerlijk) waren geweest, dan zou Tongar groot zijn geworden. Ik zeg dit zonder opscheppen. Wij hadden immers geweldige machines, allemaal eigendom van de Stichting. Iedereen trok weg, maar ik heb mijn ouders prioriteit gegeven. Ik heb geen spijt. Zij hebben mij grootgebracht, wanneer zou ik iets terug kunnen doen?
[Familie en Opvoeding]
[Migratie en Transnationalisme]



In 1959 schreef ik een brief aan mijn familie in Suriname. Die kwam in 1961 terug, het adres was niet goed. Ik heb daarna moeite gedaan om aan het juiste adres te komen. Aan mijn familie heb ik nooit gezegd dat ik ze wilde zien, maar een keer zei mijn broertje: ‘Kang (broer), als ik je laat halen, wil je dan wel komen?’ Ik dacht, dat zal wel. Zo gemakkelijk is dat niet, dat kost geld. Maar hij bleef zeggen: ‘Wees niet bang, ik haal je en zorg ervoor dat je terug gaat’. Ik had er helemaal niet op gerekend, totdat de telefoon ging. Tring... ‘Hallo, met wie spreek ik?’ ‘Ik ben het, Toekiman’. ‘Toekiman, ik ken geen Toekiman’. ‘Ik ben Toekiman Saimbang, ik ben degene die uw visum moet uitschrijven. Ik heb informatie uit Holland gekregen dat u naar Suriname wilt gaan. Wilt u me alstublieft opzoeken? Ik woon daar en daar. Het neemt niet zoveel tijd in beslag, het zal ongeveer twee uren duren’. Met mijn vrouw en mijn kind die erbij waren toen de telefoon ging, maakte ik direct plannen. Als ik op donderdag vertrok, zou ik zaterdagochtend in Jakarta zijn. Zo ontmoette ik Toekiman Saimbang voor het eerst. Hij zei, ‘Geweldig dat u gekomen bent. Ik maak het binnen twee dagen voor u klaar’. Hij zei dat ik een visum voor Nederland bij de Nederlandse ambassade moest aanvragen. Nou, ik ben wel vijf keer op en neer geweest. Er was een grote glazen wand en daarachter zat iemand die allerlei vragen stelde. Het gesprek werd gevoerd per telefoon. ‘Zo bapak (meneer), u wilt naar Nederland? Naar wie? Wat is het adres? Weet u hoeveel ze verdienen? Als u het niet weet, kunt u niet vertrekken. U moet al deze informatie vragen en dan komt u hier terug.’ Ik was op 1 augustus in Bogor aangekomen en was pas op 4 september klaar voor vertrek. Een hele maand en zoveel rupiahs armer, voor paspoort, voor een visum, voor vervoer, voor eten onderweg... Dat was de weg om naar Suriname te kunnen gaan.
[Migratie en Transnationalisme]


Mijn broers en zussen zijn hier nooit geweest, hun kinderen wel. Ik had zelfs mijn adik (jongere zus of jongere broer, in dit geval zijn zusje) Bibit nog nooit gezien, want zij was ook weggegeven. Ik heb haar nu voor het eerst gezien. Ze huilde. Tegenwoordig belt ze om de twee dagen. Om mijn stem te horen, zegt ze. Ik voel me droevig dat ik ver ben van mijn familie, maar wat moet je? De afstand is zo groot. Bergen kunnen elkaar niet ontmoeten, maar mensen wel als God het wil. Ik heb mijn familie weer gevonden. Toen ik door mijn broers en zussen naar Suriname werd gehaald, heb ik tien miljoen rupiah gekregen om mee te nemen naar huis.  Maar dat is voor mij niet het belangrijkste. Dat is niet te vergelijken met de blijdschap die ik voel.
[Familie en Opvoeding]
[Migratie en Transnationalisme]



Volledig interview

Interviewers: Amorisa Wiratri en Ayumi Malamassam
Vertaald en bewerkt door: Hariëtte Mingoen
Datum: 13 en 17 maart 2010


sarmidi_01_portrait_13032010.jpg     Sarmidi_02_portrait_17032010.jpg

Woonplaatsen

  • Suriname 1943 - 1954
  • Indonesia 1954 -

Geef een cijfer aan dit interview!

447 stemmen , Waardering: 3.0 Rating_off Rating_off Rating_off Rating_off Rating_off