Opnamen [verplaatsen]

Siyem

  • Naam Siyem
  • Achternaam Siyem
  • Geboorteplaats plantage Waterloo, district Nickerie, Suriname
  • Geboortedatum 1926

Samenvatting

Ik kan niet lezen en schrijven. Dat komt omdat ik van mijn moeder niet naar school mocht. Vroeger moest je thuis blijven. Ik stond in de keuken te koken. Ik heb ook op de sawah (rijstveld) gewerkt.

In Suriname kon je op je twaalfde al worden uitgehuwelijkt. Of je nu wilde of niet: als iemand naar jou had gevraagd, dan moest je trouwen, dat was verplicht. Men zei dat het niet goed was voor de familie als je weigerde. Ik was 13 toen ik trouwde. Ik had mijn menstruatie nog niet eens gehad.  Mijn eerste man heette Gangsar. Hij was van hetzelfde dorp. Met  hem kreeg ik mijn oudste dochter Legiyem. Clara was de roepnaam die ze in Suriname kreeg. Samiran is mijn tweede man. Hij is ook in Suriname geboren. Met hem trouwde ik toen ik 19 was. Met hem kreeg ik ook één kind: Samirah.
In Suriname gingen zij naar school. Er waren onderwijzers die de huizen afgingen om de kinderen naar school te sturen. In de ochtend  gaven ze les op school en ’s middags kwamen ze kijken of er kinderen waren die op school hoorden te zitten. In Suriname hoefde je voor school niet te betalen, ook niet voor de boeken. Het waren niet de kinderen, maar de ouders die de kinderen niet naar school wilden sturen. Als kind werd ik ook door zo’n onderwijzer bezocht, maar mijn moeder liet me niet naar school gaan. ‘Een meisje mag niet naar school’, zei ze. Mijn broers zijn wel naar school gegaan, maar niet lang: tot de tweede of derde klas van de lagere school.
Toen ik uit Suriname wegging, was ik 28 jaar. Clara was twaalf jaar en Samirah  was acht jaar.
In Tongar zijn Clara en Samirah verder naar school gegaan. Er werd hier een school gebouwd door de Stichting. Clara heeft de SD gedaan en Samirah heeft de SMP gehaald.  
[Familie en Opvoeding]
[Lering en Scholing]



In Nickerie was er geen ander werk dan landbouw in die tijd. Iedereen deed aan landbouw, ook mijn ouders. Wij hadden een sawah (rijstveld). In Nickerie was het voornamelijk rijst waar wij van leefden. Ik heb gewerkt bij de orang India (Hindostanen). Ik heb onkruid weggehaald, rijst geplant en geoogst. Als ik werkte, ging ik om zeven uur al op pad. Om twaalf uur ging ik naar huis om te eten en om één uur moest ik weer terug om te werken tot vijf uur. Ik woonde bij mijn schoonouders, omdat mijn man enig kind was.  Ik heb met hen gewoond tot aan hun overlijden. Mijn eigen ouders woonden ook in de buurt.
In Tongar hebben mijn man en mijn vader het oerwoud helpen open kappen. Toen wij al wat konden beginnen, plantte ik rijst, pinda’s, kedele en kacang hijau (beide sojasoorten), en groenten.  Ik werkte elke dag tot ongeveer vier uur in de middag. De bibit (zaad) en plantjes kocht ik op de markt. Mijn man bleef vaak tijdenlang weg om buiten Tongar te werken. Dan bleef ik alleen achter met de kinderen, en zorgde ik voor mijn schoonmoeder.
Thuis maakte ik olie van kokos. Ik ging naar de markt en kocht kokosnoten. De olie die ik eruit haalde, deed ik in bierflessen en die verkocht ik op de markt. Ik verkocht er wat ik had: kokosolie, taugé, tempé, pinda’s. Het maken van de olie heb ik van mijn moeder geleerd. In Suriname verkocht mijn moeder  eten op feesten. Ze verkocht bami goreng (gebakken bami), bami  rebus (gekookte bami) en saté. Mijn vader droeg alles met een pikul (draagstok) voor haar. Mijn vader hielp haar, maar hij was ook een dobbelaar. Soms raakte het geld op het feest al op. Op feesten werd veel  gedobbeld en kaart gespeeld: je had ceki en gonggong (namen van kaartspelen). Bij gonggong had je 14 kaarten en bij ceki 8. Ik weet het precies, want mijn moeder hield ook van kaart spelen. Ik speelde het zelf met mijn broers, mijn zus en andere kinderen, maar niet voor geld. Als mijn vader verloor, verkocht hij al onze padi (ongepelde rijst). Als mijn vader kaart speelde, dan deed hij dat bij vrienden in huis. Het maakte niet uit of het overdag was of ’s avonds. Zolang het geld nog niet op was, speelde hij. Later werd de padi opgekocht door de overheid en hield het verspelen van de oogst op. Als de overheid het kocht, dan werd het pas na zes maanden opgehaald. Je ontving voor 1 kilo padi 35 cent. Als de opbrengst goed was, kregen de boeren een bonus. Voor het bewaren van de padi kregen de boeren ook een vergoeding. Mensen bouwden een lumbung (schuur voor de padi) aan huis.
[Arbeid en Ondernemerschap]


Mijn man Samiran was iemand die heel fijn Javaans (hoog-Javaans) kon spreken. Hij heeft dat geleerd van zijn ouders. Hij werd altijd gevraagd om bij feesten namens de familie te spreken en de aankondigingen te doen. Er was zoveel te zien: tayub (feest waar tegen een bijdrage met een danseres  gedanst kan worden), wayang kulit (schimmenspel met poppen gesneden uit leer/koeienhuid), wayang wong (toneel met acteurs en dansers), jaran kepang (paardendans), ludruk (volkstoneel) en ketoprak (ludiek toneel). Ik ging vaak naar feesten om te nyumbang (ingaan op een uitnodiging en als bijdrage een envelop met inhoud afgeven). Als er een feest was, werd er een tayub gehouden en dan was er een ledhèk (danseres). De mannen die kwamen  werden dan één voor één geroepen om te dansen met de ledhèk. Als je een ledhèk huurde, dan kostte dat vroeger 30 gulden. Degenen die met de ledhèk dansten, gaven wat ze konden missen.  Er werd ook op een andere manier bijgedragen aan een feest. Bij een geboorte was het gewoonte om rijst te geven:  een takeran (een maatbeker) rijst.
In Suriname had je een lurah (dorpshoofd), een kaum (geestelijk leider) en een kebayan (persoon belast met orde en veiligheid). De kebayan stond onder de lurah. Elk gezin droeg een blik gabah (ongepelde rijstkorrels) af voor respectievelijk de kaum en de kebayan. De kaum was een belangrijke figuur bij de kenduren (offermaaltijd), de mauludan (bijeenkomst om de geboorte van de profeet Mohamed te gedenken), de bersih desa (feest na de oogst dat gepaard gaat met de reiniging van het dorp), en de feesten van de kampung bewoners. De kebayan was belast met het bekend maken van vergaderingen of andere bijzondere gebeurtenissen. 
In Suriname aten wij niet zoveel santen (gedroogde kokosmelk). Dat wordt zelden gebruikt, alleen bij bepaalde groenten zoals kluwih (vrucht vergelijkbaar als de nangka: jackfruit) en gori (hele jonge nangka). Daarom hou ik nog steeds niet van santengerechten. Ik eet nog steeds bitawiri en tayawiri.
Mijn kinderen zijn met de hulp van een dukun (pientere vrouw of man die mensen bij staat bij bijzondere gebeurtenissen, zoals geboorte, huwelijk en overlijden). Ze heette Mbah Sawi. Alles gebeurde thuis, niet in een ziekenhuis. Ze maakte ook jamu (kruidendrank) voor mij. Ik ben hier nog nooit naar de dokter geweest, mijn bloed is ook nooit getest.  Ik betaalde haar 10 gulden. Later kwam de bidan, de vroedvrouw. De vroedvrouw deed aangifte van de geboorte. Maar ik heb dat niet meer meegemaakt, omdat ik geen kinderen meer kreeg.
[Cultuur en Identiteit]


Degenen die ons hier naartoe brachten waren Pak Hardjo, Pak Ponco en Johannes Kariodimedjo. Zij organiseerden vergaderingen. Ik kan me nog herinneren dat Pak Ponco zei: ‘Je laat in Suriname één bord rijst achter, maar in Indonesië krijg je er drie voor terug.’ Daarna werd er geld gevraagd: voor de delegatie om naar Indonesië te gaan. Bij elke vergadering werd geld opgehaald, dat was om te sparen voor de reis. Mijn moeder gaf het geld en mijn vader betaalde het. De vergaderingen vonden plaats in het huis van de lurah (het dorpshoofd) van  Ngatikut, bij Pak Sastro thuis.
De reis van Ngatikut naar Paramaribo ging met de boot: de Perica. De reis een nacht. In de ochtend kwamen wij aan in Paramaribo en
‘s avonds vertrok de Langkoeas richting Indonesië. Ik had een grote doos waarin ik onze kleren en wat benodigdheden had gestopt: gereedschappen en rijst, van elke familie één zak.  Mijn moeder had het huis en grond  van 2 hectare verkocht aan een Hindostaan om de Stichting te kunnen betalen.
Mijn ouders en hun vier kinderen vertrokken naar Indonesië, en van de familie van mijn man alleen hij en zijn moeder. Mijn moeder en ik waren zeeziek. Een hele maand hadden wij geen trek in eten. Mijn zusje had een baby van vier weken, die kreeg alleen moedermelk. Als je kind een jaar oud was, kreeg je pap met melk. Volwassenen kregen rijst. De toespijs veranderde steeds: er was rundvlees, ei en sardien. In de ochtend kregen wij  brood, soms gekookte aardappelen en fruit, appel, sinaasappel. WC’ s en badkamers waren er ook, de vrouwen gescheiden van de mannen. Er werden ook baby’s geboren op de boot. De eerste werd vlak na vertrek geboren. Daarna kwamen er nog twee baby’s.
Toen we net in Tongar waren, was ik verdrietig. Wij aten alleen maar ikan asin (zoute vis) en kool, veel kool, elke dag weer. Wij maakten het op verschillende manieren klaar: tumis (wat tegenwoordig gewokte groenten heet), urap (gekookte groenten in kokos) of gewoon gekookt. Ik keek naar het  oerwoud en voelde me susah (bedroefd). We konden niet meer terug. Nadat wij een stukje grond kregen, bouwden we een huis en konden wij weg van de barak. Bij elkaar hebben wij ongeveer een jaar in de barak gewoond. Pas veel  later kwamen de orang Minang (de Minangkabau) ons groenten verkopen.
Ik ben nooit weggegaan uit Tongar.  Clara woont hier in Tongar en Sumirah woont in Pekanbaru. In het begin vond ik Suriname veel beter, maar nu weet ik niet beter. Het is hier het beste.
[Migratie en Transnationalisme]


Volledig interview

Interviewer: Amorisa Wiratri
Vertaling en bewerking: Hariëtte Mingoen
Datum: 16 maart 2010

 


Siyem_01_portrait_16032010.jpg

Woonplaatsen

  • Suriname 1926 - 1954
  • Indonesia -

Geef een cijfer aan dit interview!

520 stemmen , Waardering: 3.0 Rating_off Rating_off Rating_off Rating_off Rating_off