Opnamen [verplaatsen]

Tuminah

  • Naam Tuminah
  • Geboorteplaats plantage Berlijn, district Commewijne (Suriname)
  • Geboortedatum 1925

Samenvatting

In Suriname heb ik gewerkt op een kebun jeruk (sinaasappelplantage). Drie maanden voor vertrek gingen wij naar de Stad (Paramaribo). De hele familie ging mee om de boot te zien vertrekken. Alleen mijn broertje en ik zijn meegegaan naar Tongar. Mijn zus Tumirah wilde niet, omdat zij bang was voor de tijgers in Indonesië. Mensen uit Indonesië vertelden dat er tijgers en slangen waren, maar wij waren niet bang. Wij hadden een sterke wil om te gaan.
Toen ik aankwam in Tongar, voelde ik me alsof ik gevangen was genomen. Ik wilde wegrennen, maar waarheen? Er bleef niets over dan in de barakken te blijven. Wij kregen een barak in blok B. Dat was dichtbij de weg, in de buurt van de bengkel  (reparatieplaats). Mijn man, mijn kind en ik kregen een eigen barak, en mijn ouders en mijn schoonouders kregen elk ook een eigen barak. Mijn mba buyut (overgrootouders) waren naar Tongar meegekomen. Zij waren al erg oud.
In het begin kregen wij rantsoen van de Stichting: rijst, olie en ikan asin (zoute vis). Als je het lekkerder wilde, moest je zelf eten kopen. Er waren Minang (Minangkabau, de lokale bevolking) die hier kwamen om groente te verkopen. Vooral in het begin hadden we het moeilijk in Tongar . Ik had gelukkig wat spaargeld, maar er waren ook mensen die niets hadden meegenomen, omdat de Stichting had gezegd dat het niet nodig was om goud en geld te brengen.
Ik heb nog contact met mijn zus in Suriname. Zij wil mij naar Suriname brengen, maar ik wil niet, want al mijn kinderen zijn hier. In 2007 was zij hier gekomen om mij op te zoeken. Ze was al 77 toen ze kwam, ik herkende haar niet. Wij zijn beiden oud geworden, huilen deden wij niet meer. Haar dochter heeft mij laatst ook gebeld. ‘Bik (tante), wil je niet naar Suriname komen?’ Ik zei: ‘Ik heb geen geld’. ‘Wij laten jou overkomen hoor’, zei ze. Ik zei’: ‘Doe maar’, maar ik meende het niet. Ik zei tegen haar: ‘Het kost allemaal geld. Jou bellen kost ook geld. Mar als je wilt wil bellen, heel graag. Dat zal ik met mijn hele hart aannemen’.
[Migratie en Transnationalisme]


Ik ben met mijn man en mijn ouders meegegaan naar Indonesië. Ik was hoogzwanger toen wij vertrokken. Vierentwintig dagen na aankomst in Indonesië werd mijn eerste kind geboren. Ik werd geholpen door zuster Nora en zuster Minoek.
Ik heb tot de vierde klas van de lagere school op school gezeten. Mijn broertje heeft meer onderwijs gehad. Hij heeft het SMP afgemaakt. In het begin had de Stichting een eigen lagere school in Tongar gebouwd; later bouwden ze een SMP in Simpang Empat. Wij deden dat in gotong royong (wederzijdse hulp): alle ouders die hun kinderen naar de SMP wilden sturen, werkten eraan mee. Later kregen wij vanuit Lubuk Sikaping een onderwijzer die Nederlands kon spreken. Hij heette Abdul Hakim. Hij gaf een heel jaar lang les in de zesde klas van de lagere school. Nadat de leerlingen wat Bahasa Indonesia konden, mochten ze naar de SMP.
Mijn broertje werkt nu als verpleger bij Caltex. Ze hadden hem naar de Verenigde Staten willen sturen, maar hij wilde niet omdat onze ouders al oud zijn. Mijn man en ik zijn niet zoals anderen uit Tongar weggegaan. Ik wilde mijn ouders niet alleen laten. Mijn man was  wel voor drie jaar naar Duri gegaan om te werken voor Caltex. Toen hij terugkwam, mocht hij van zijn ouders niet meer weg. Mijn man overleed al in 1983. De kinderen waren nog klein en nog op school. Mijn broertje Tumpuk heeft toen een paar van mijn kinderen meegenomen naar Pekanbaru.
Ik ben niet actief in de Stichting, ik heb het te druk gehad met mijn 12 kinderen. Een woont nu in Palembang, de ander in Mentawai en de derde in Kuala Lumpur. Hij is met een werver meegegaan. Wij hebben maar één keer een brief van hem gekregen en wat geld, daarna hebben wij niets van hem vernomen. Ik hoop dat het goed met hem gaat. De vierde werkt bij PT BK (een plaatselijke onderneming). Zij willen hem overplaatsen naar Java, maar hij wil niet. Hij blijft hier omdat ik al oud ben. Een keer in de maand gaat hij naar Padang, waar zijn gezin woont.
[Lering en Scholing]
[Arbeid en Ondernemerschap]



Mijn man was chauffeur in Suriname. Hier heeft hij gewerkt als trailerchauffeur om hout te vervoeren. In Tongar werkte voor de Stichting, maar dat hield op toen de Stichting failliet ging. Daarna is hij verder gegaan met hout zagen. Hij zaagde bomen tot planken. Het waren soms bittere tijden als niemand de planken kocht. Vroeger werden de bomen zonder beleid omgehakt. Men keek niet naar wat voor bomen het waren. Het belangrijkste was het oerwoud bewoonbaar te maken. Er was van alles in het oerwoud: ketoko, meranti, ikir, allemaal dure boomsoorten waar ze houtskool van maakten. Als ik nu terugdenk aan het werk van mijn man, dan verbaas ik me erover hoe sterk hij was om alle planken te dragen en ook om bomen te hijsen.

De Stichting heeft mijn ouders, mijn schoonouders en mijn man en ik grond gegeven. Dat hebben wij gebruikt om een huis op te bouwen. Wij hebben ook wat sawah (rijstveld) gekregen. Ik ben van die grond weggegaan, mijn zevende kind woont nu daar. Mijn kinderen hebben het redelijk goed gedaan. Ze hebben de SMP en SMA gedaan. Mijn jongste zoon is nog niet getrouwd. Hij is docent: eerst in Pekanbaru, maar nu wordt hij overal naar toe gezonden, naar Surabaya en andere plaatsen. Hij geeft les aan blanken en soms gaat hij naar Duri om sollicitanten te selecteren. Mijn kinderen zijn getrouwd met mensen van verschillende afkomst: met een Mandiling, met een Minang, verschillende etnische groepen, maar dat maakt niet uit. Ik vind belangrijk dat het goed met ze gaat. 
[Arbeid en Ondernemerschap]


In Suriname kwamen wij vaak met vrienden bij elkaar. Wij vormden een groepje en wij hadden een vrouwen arisan (spaarclub). In mijn kampung (wijk) waren er orang India (Hindostanen), geen orang Negro (Creolen). Er waren zelfs Hindostanen die Javanen hadden opgevoed. Onder elkaar spraken wij Javaans, maar op de markt spraken wij een andere taal, want daar waren we met zoveel verschillende mensen. Op de markt in Suriname stonden de  prijzen vast, er kon niet worden afgedongen. Dat was daar goed geregeld, er werd ook streng gecontroleerd.
In Suriname werd er vijf dagen in de week gewerkt, maar op zaterdag en zondag niet. Dan werden er feesten georganiseerd. Gewoon in de kampung, voor het huis, in de openlucht. In mijn dorp was er sambatan (burenhulp). Met bersih desa (oogstfeest dat gepaard gaat met de reiniging van het dorp), mauludan (geboorte van profeet Mohamed) en rejeban (7e maand van de moslim kalender: maand om elkaar te respecteren) werd er samen gegeten in de langgar (een plek waar moslims bij elkaar komen wanneer er geen moskee voorhanden is). Het eten werd thuis klaargemaakt en naar de langgar gebracht. Eigenlijk waren daar in Suriname dezelfde tradities als op Java, maar wat wil je onze bibit  (zaad, oorsprong) is op Java. Ik weet niet hoe het er in andere kampungs (wijk) toeging, maar in mijn kampug deden wij het zo.
[Cultuur en Identiteit]


Volledig interview

Interviewer: Amorisa
Vertaling en bewerking: Hariëtte Mingoen
Datum: 15 maart 2010


Tuminah_01_portrait_15032010.jpg

Woonplaatsen

  • Suriname 1925 - 1954
  • Indonesia 1954 -

Geef een cijfer aan dit interview!

688 stemmen , Waardering: 3.0 Rating_off Rating_off Rating_off Rating_off Rating_off