Opnamen [verplaatsen]

Matte Soemopawiro

  • Naam Matte Soemopawiro
  • Achternaam Soemopawiro
  • Geboorteplaats Wanica/Lelydorp
  • Geboortedatum 2 juli 1969

Samenvatting

Ik ben geadopteerd door mijn siwo (oudere broer of zus van vader of moeder): de dochter van mijn oma uit haar eerste huwelijk. Deze siwo heet Rasmini. Mijn oma was voor een tweede keer getrouwd. Uit dit huwelijk heeft ze vijf meisjes en twee jongens gekregen en één van de meisjes was mijn biologische moeder. Mijn moeder overleed in 1976, ze was 38 jaar oud. 
Ik kom uit een nest van vijf broers, twee oudere zussen en een jonger zusje. Toen mijn moeder zwanger was van mij, was er al sprake van dat ik zou worden weggegeven. Rasmini, mijn adoptiemoeder, had namelijk zelf geen geluk met kinderen krijgen. Ze had ooit een zoon gebaard die niet lang daarna was overleden. Zij wilde heel graag kinderen hebben, ze wilde zelfs een djuka kind (kind van een boslandcreool) adopteren. Mijn moeder had mij aan haar beloofd. ‘Deze baby is voor jou’, had ze gezegd. Mijn adoptiemoeder vertelde dat ik ziek was geboren. Ik was bijna blind en ik was heel erg mager. Mijn moeder gebruikte medicijnen en dat had effect op mij. Mijn adoptiemoeder heeft mij bijna elke dag naar het ziekenhuis moeten brengen om mijn ogen te laten behandelen. Dokter Krep was indertijd de behandelend arts. Zij had het best moeilijk met mij, want ze moest de zorg voor mij combineren met haar werk.
Mijn adoptiemoeder heeft bij elkaar drie kinderen geadopteerd: haar op één na jongste zusje, mijn zusje en mij. Ik heb mijn biologische ouders wel gekend, maar ik was niet gewend aan hen. Dus als ik het heb over mijn adoptiemoeder, dan heb ik het over mijn moeder. 
[Familie en Opvoeding]


Ik was zes jaar toen ik naar Nederland kwam. In Suriname had ik op de kleuterschool gezeten, ik kon al wat schrijven, letters herkennen en plaatjes kijken. Mijn moeder was al eerder naar Nederland gegaan. Ze was op weg naar Indonesië, maar bleef een tijdje in Nederland. Ze had mij van tevoren niets gezegd over emigreren, maar ik zag het al aankomen. Mijn moeder liet haar grond achter voor de familie en vertrok. Ik kan me helaas niet herinneren op welke dag ik vertrokken was. Het was in ieder geval in 1975, ik denk in de maand oktober, vlak voor de onafhankelijkheid.
Ik vond het allemaal wel spannend, ik houd wel van iets nieuws. Ik kwam op Schiphol aan en zag erg veel Javanen en andere Surinamers, met koffers en een dikke jas. Mensen stonden in de rij. Wij werden met een bus gebracht. De bus reed ons naar Zeeland en daar werden we gedropt bij een soort hotel. Mijn vader en moeder wilden terug, maar uiteindelijk zeiden ze: ‘We hebben de stap genomen, nu moeten we volhouden’. De eerste week in Zeeland gingen we naar de supermarkt. Ik keek mijn ogen uit. Het was groot, er was zoveel te koop en het rook allemaal zo lekker: een grote gegrilde kip, de chocolade- en vanillevla en andere lekkere toetjes. Ik ontdekte dat er ook andere Javanen en Hindostanen in het hotel verbleven. Wij kregen één kamer met twee bedden, dat was voor ons vieren. Mijn moeder kocht een grote teil om te wassen. Toilet en douche moesten wij delen met anderen. Op vaste tijden moesten wij naar een zaal voor de maaltijden. Allemaal Hollands eten. Mijn moeder vond het maar niks.
De eerste dag op de kleuterschool was bijzonder. Al die kinderen met goudkleurig haar, dat had ik nog nooit gezien. Ook de pakjes melk vielen me op. Piramideachtig pakjes, blauw waren ze. Ik werd een klas teruggezet. Ik mocht alleen spelen, terwijl ik in Suriname al had leren lezen en schrijven.
[Migratie en Transnationalisme]


Mijn moeder heeft mij veel meegegeven van de Javaanse tradities. Met haar sprak ik altijd Javaans. Daar was zij heel consequent in. Zij volgde de Kejawan traditie (Javaanse pre-Islamitische tradities). Zij deed aan alle rituelen. Ze wilde dat ik het over nam en zei vaak: ‘Dit moet je later doen’. Ze haalde mij er altijd bij, maar ik gaf er niet om.
Mijn geboortedag werd altijd herdacht. Mijn weton (geboortedag volgens Javaanse kalender) is Kliwon (de vijfde dag van de Javaanse weektelling). En er werd sesajen (offerandes) gemaakt. Voor iedereen eigenlijk, maar meestal voor mij. Drie papjes: een witte, een bruine en eentje met een blauw kruis; een glas met water met een bloem daarin.
Vroeger had ik geen interesse in Javanen. Ik was het beu om elke dag weer naar de Javaanse radio te moeten luisteren. Maar nu ben ik anders. Nu mijn moeder er niet meer is, heb ik meer interesse gekregen, en voel ik dat ik terug ben bij mijn roots.  Javanen geven mij achtergrond, het voelt als ‘hier hoor ik thuis’. Dat voel ik nu nog sterker dan vroeger. Ik voel me meer op mijn gemak bij Javanen, vooral bij oudere Javanen. Wat mijn moeder vroeger deed, dat zie ik in hen terug. Nu haal ik terug waarin ik tekortgeschoten ben. Ik woon slametans ( bijeenkomsten die gepaard gaan met de inzegening en verdeling van een offermaaltijd) bij,  ik zet water met bloemen, ik ga op bezoek bij oudere Javanen, dat soort dingen. Ik ben niet bang dat het te laat is, want ik heb het gevoel: ik ben terug. En dat geeft een goed gevoel. Mijn familie en vrienden verbazen zich erover dat ik ben veranderd. Ze lachen me uit. Maar ik zeg tegen hen: ‘Ik heb mijn weg gevonden’.
[Cultuur en Identiteit] 

Volledig interview

Interviewer: Hariëtte Mingoen
Bewerkt door: Hariëtte Mingoen
Datum: 4 november 2009


Matte_Soemopawiro_02_portrait_18-april-2010.jpg

Woonplaatsen

  • Suriname 1969 - 1975
  • Nederland 1975 -

Geef een cijfer aan dit interview!

599 stemmen , Waardering: 3.0 Rating_off Rating_off Rating_off Rating_off Rating_off