Opnamen [verplaatsen]

Bob Saridin

  • Naam Bob Saridin
  • Achternaam Saridin
  • Geboorteplaats Visserszorg
  • Geboortedatum 1942

Samenvatting

Ik kom uit een gezin met tien kinderen. Ik ben nummer vier, de eerste jongen. En ik ben geboren in het dorp Visserszorg, op zijn Javaans Pitoksor, dat is tussen Leliëndaal en Sorgvliet. Daar hadden wij niet bepaald een comfortabel leven. Mijn ouders waren plantagearbeiders, maar ook in hun vrije tijd deden zij aan landbouw. Wij plantten rijst en groenten bij de trenzen. Vis moesten wij zelf gaan vangen om van tijd tot tijd een beetje eiwit binnen te krijgen. Omdat het bestaan van onze ouders niet erg riant was moesten we ons ook inspannen om er bijvoorbeeld koeien op na te houden. Dat was voor de melk en een extraatje wanneer je ze ging verkopen. Als kinderen moesten wij voor het voedsel voor de koeien zorgen, wij zochten gras her en der. Daarnaast voerden wij de kippen. Dat alles deden wij om in leven te blijven. De vloer van ons huis bestond uit klei dat door het veelvuldig betreden hard is geworden. Daar lag een kloso (gevlochten rietenmat) waar wij, als er een genduren (dankdienst) was, samen berkat (eten van een dankdienst) aten. Die filosofie van samen doen is ons eigenlijk van kleins af aan bijgebracht.
[Familie en opvoeding]

Ik heb in mijn jeugd alleen de lagere school bezocht. Gelet op de draagkracht van onze ouders waren zij niet in staat om de muloschool te betalen. Ik heb niet het voorrecht gehad om in een internaat terecht te komen, dat was meer bestemd voor EBG (Evangelische Broeder Gemeente)- en katholiek-georiënteerde mensen. Dus zodoende ben ik op een vrij jeugdige leeftijd van school gegaan. Als ik op de plantage zou blijven, zou ik in de voetsporen van mijn vader als plantagearbeider en landbouwer treden. Op vijftienjarige leeftijd ben ik naar Paramaribo gevlucht om van alles en nog wat te doen. Ik heb gewerkt als monteur, winkelschoonmaker, winkelbediende, magazijnschouwer, loopjongen. Kortom, ik heb eigenlijk van alles en nog wat gedaan. Uiteindelijk kwam ik in juni 1963 terecht bij Suralco en daar heb ik toen binnen zes maanden mijn reisgeld bij elkaar gespaard om in januari naar Nederland te gaan. Dat was op 26 januari 1964.
In Nederland aangekomen werd ik door iemand opgevangen voor pak weg twee weken en daarna werd ik losgelaten. En daar zit je dan: hartje winter in Nederland en geen familie. Ik had natuurlijk heimwee. Ten eerste miste ik mijn familie en ten tweede had ik geen behoorlijke baan. Ik kon net leven van wat ik verdiende. Toen heb ik cursussen gevolgd en in september begon ik aan de avondmuloschool. Na de mulo ging ik naar het gymnasium. Het was eigenlijk mijn bedoeling om na de mulo naar Deventer te gaan om te kijken of ik naar de Tropische Landbouw Hogeschool kon gaan en om daarna naar Suriname terug te gaan. Maar omdat ik geen beurs kon krijgen ben ik toen naar gymnasium gegaan. Toen ben ik commerciële bedrijfseconomie gaan doen op HBO-niveau met de bedoeling daarna MO te gaan doen. Dat heb ik ook gedaan. Ik ben daarna werkzaam geweest bij IBM als schrijfmachinemonteur. Binnen het bedrijf ben ik geleidelijk vooruit gegaan van schrijfmachinemonteur naar final tester. Alle schrijfmachines die aan de lijn klaar waren moest ik testen of ze goed functioneerden. En toen ben ik richting administratie gegaan: magazijnadministratie en toen orderadministratie. Van daar uit heb ik promotie gemaakt tot districtsassistent, districtbranchemanager. Toen ik bij IBM werkte heb ik ook verschillende bedrijfsopleidingen gevolgd.
[Migratie en transnationalisme]
[Arbeid en ondernemerschap]

In 1976 hebben mijn vrouw en ik besloten om terug te komen naar Suriname, omdat wij behoefte hadden om weer naar huis te gaan. Nederland was voor ons eigenlijk wel prettig, ik heb heel veel geleerd, prettig gewoond en een goeie relatie opgebouwd, maar het was toch niet wat ik dacht dat het zou zijn. De eerste vijf of zes jaren van ons verblijf dacht ik ‘dit is het paradijs waar ik voor altijd wil blijven’. Je kan zeggen dat ik in een identiteitscrisis terechtkwam. Ik woonde in Nederland, op papier was ik Nederlander, maar ik was een nazaat van Javaanse contractarbeiders. Maar ik wist helemaal niet zo veel van Javanen, de taal beheerste ik niet goed en ik wist weinig van de cultuur. Dus ik ben toen gaan zoeken: ‘wie ben ik?’ en ‘wat kan ik betekenen voor de gemeenschap?’ En bij mijn terugkeer in 1976 heb ik me eerst aangesloten bij Nelom Jaycee, dat is een serviceclub. Maar later dacht ik, ‘kijk, met dezelfde energie kan ik iets voor de Javaanse gemeenschap doen’. En zo heb ik me aangesloten bij de Pionier als secretaris, daarna als ondervoorzitter en zeven jaar als voorzitter. De Pioneer is een sociaal educatieve vereniging en is opgericht om kennis te bundelen om zo een bijdrage te leveren aan de ontwikkeling van de Javanen in Suriname en ook aan de ontwikkeling van Suriname. Daarna heb ik mijn tijd en energie besteed aan sociaal werk. Zo ben ik bijvoorbeeld door VHJI aangesteld als bestuurslid nazorg gehandicapte kinderen. De bedoeling was om kinderen die van de Kennedyschool kwamen op te vangen en te helpen met het zoeken van een baan. Ook heb ik een project opgezet zodat meisjes na die opleiding op zestien- of zeventienjarige leeftijd in een atelier konden beginnen met het maken van kleren, bijvoorbeeld uniformen. Verder heb ik ook in de raad van commissarissen gezeten van het academisch ziekenhuis. Na de ramp in Yogyakarta, waar door de aardbeving waarbij honderden, duizenden het leven hebben gelaten en waarbij zoveel huizen zijn vernietigd, heb ik samen met een paar vrienden een commissie in het leven geroepen, ‘Suriname helpt Yogja’. We hebben een benefietshow in het NIS gehouden, dat heeft een bedrag opgeleverd van 32.000 Amerikaanse dollar. Daarnaast heb ik ook veel geholpen bij de organisatie van Indofair. Ik heb bij Witte Lotus, dat is een zwemvereniging van Chinezen, jarenlang als bestuurslid gefungeerd. Verder ben ik nog actief geweest in een heleboel andere organisaties. Drie jaar geleden ben ik door de president op voordracht van de VHJI benoemd tot officier in de gele ster.
[Migratie en transnationalisme]
[Verenigingsleven en welzijn]

Visserszorg is een compleet Javaans dorp, dus het leven op de plantage was echt dorps en Javaans georiënteerd. Ook de culturele manifestaties die nu en dan werden gehouden bij huwelijken, bij besnijdenissen en bij verschillende ceremoniële gebeurtenissen werden op typisch Javaanse wijze gedaan. En thuis spraken we uitsluitend Javaans. Wayangan, mantenan (traditioneel Javaans huwelijk), lek-lek-an (nachtwake), mitoni (zeven maanden zwangerschap) … al die tradities zijn bijgebleven. En de opvoeding die ik van huis uit kreeg was moslim, hoewel mijn ouders niet zo erg fanatiek waren. Ngaji (avond recitatie uit de Koran) deed ik totdat ik het niveau had bereikt om bij een ceremonie mee te bidden. Ik had daarvoor een examen afgelegd. En dat terwijl ik in Leliëndaal op de EBGschool (Evangelische Broeder Gemeente) zat. Hoewel ik dus niet echt een toegewijd moslim was, heb ik het moslimgeloof toch aangehouden. En op een gegeven moment ging ik in mijn tienerjaren naar de stad en daar ga je natuurlijk niet meer zo serieus aan geloof en religie denken. Dat werd alleen nog maar versterkt toen ik naar Nederland ging. Daar deed ik helemaal niks meer. Maar dat wil niet zeggen dat ik a-religieus was. Ik heb gedurende een lange tijd op een kruispunt gestaan: wat zou ik willen? Dat is onder andere ingegeven door mijn gezinssamenstelling: mijn vrouw is katholiek. We zijn gemengd getrouwd met de belofte dat we de kinderen christelijk zouden opvoeden. De kinderen zijn katholiek gedoopt en ze gaan ook naar een katholieke kerk. Ik heb zeker vijf tot zes jaren getwijfeld over wat mijn keuze zou zijn. Ik heb me toen georiënteerd op kejawen (javanisme), de islam en de EBG. Na vijf of zes jaar ben ik tot de conclusie gekomen dat als je een harmonieus gezin in huis wilt hebben de neuzen in dezelfde richting moeten staan. Je moet een compact geheel vormen en daarom heb ik toen in het jaar 2000 een definitief besluit genomen om toe te treden tot de katholieke kerk.
[Religie en geloofsbeleving]

De Surinaamse taal heb ik pas geleerd toen ik in de stad kwam wonen. Je kan zeggen dat het voor mij een cultuurshock was toen ik van het dorp direct naar de stad ging. Ik kwam ook in conflict met de Javaanse adat (zeden en gewoonten). Bij ons was het zo dat als je langs een ouder persoon liep je bijna hurkend moest lopen. Dan zei je ‘nderek langkung’ (ik vraag toestemming om langs u te lopen). En als je door een oudere aangesproken werd, mocht je niet rechtstreeks in de ogen kijken, je moest je hoofd gebogen houden. Dat respect bracht de nodige twijfels bij mij te weeg toen ik een andere levenshouding aantrof in de stad. Gaandeweg kon ik ermee leven en ging ik relativeren. Je begint ook culturele expressies van andere etnische groepen leren kennen en dat probeer je te waarderen. Maar ik blijf erbij dat onze cultuur, voor mij althans, de mooiste is en dat moet behouden blijven.
[Cultuur en identiteit]

Interviewer: Jo Moestadja
Bewerkt door: Lisa Djasmadi

bob in batik_a.jpg   IMG_3894.jpg 

Woonplaatsen

  • Suriname 1942 - 1963
  • Nederland 1964 - 1976
  • Suriname 1976 -

Geef een cijfer aan dit interview!

619 stemmen , Waardering: 3.0 Rating_off Rating_off Rating_off Rating_off Rating_off