Opnamen [verplaatsen]

Teguh Sastropawiro

  • Naam Teguh Paimin
  • Achternaam Sastropawiro
  • Geboorteplaats Hamptoncourtpolder, Nickerie, Suriname
  • Geboortedatum 1937

Samenvatting

Mijn vader was bestuurslid van de Stichting. Na de Tweede Wereldoorlog in 1945, werd gesproken over de zelfstandigheid van de Nederlandse kolonies. Surinamers richtten toen politieke partijen op. De Javanen hadden in 1947 twee partijen, PBIS en KTPI. Mijn vader is lid geworden van PBIS en misschien omdat hij lurah was, werd hij gemaakt tot de leider voor het district Nickerie. Nadat een delegatie Indonesië had bezocht, besloot PBIS om in te gaan op de wens van een grote groep Javanen om naar Java terug te gaan. Die wens is niet nieuw. In feite was terugkeer beloofd door de Nederlanders en vele voelden zich bedrogen omdat de belofte om ze na gedane arbeid terug te brengen naar Indonesië niet was nagekomen. Dat had vaker tot demonstraties geleid, de meest bekende in 1933 toen een zekere De Kom, een linkse activist, opkwam voor de Javanen.
Na die eerste reis van de delegatie werd verslag gedaan in theater Bellevue. Verteld werd dat de Indonesische regering niet klaar was om de Javanen te ontvangen. De aanwezigen geloofden dat niet. Toen werd besloten om een Stichting op te richten. Er werden voorbereidingen getroffen voor een tweede delegatie. Die ging en had vele plaatsen gezien: Lampung, Yogja, Solo en Purwokerto. Uiteindelijk werd gekozen voor de plaats Waes Putih in Lampung. Toen de delegatie terugkwam met deze informatie was het animo heel groot. Er werd een maximum ingesteld. Dat was 300 gezinnen. De bijdrage was voor een volwassen persoon 750 gulden en voor kinderen de helft hiervan. De voorbereidingen werden getroffen in samenspraak met de Commissaris Generaal van Indonesië in Suriname. Dat was vroeger de Indonesische vertegenwoordiging in Suriname; er was nog geen ambassade.
Het departement van transmigratie hier was nog maar 9 jaar oud. Ik neem het hun niet kwalijk, maar de voorbereidingen waren niet optimaal waardoor velen zich beklaagden. Als een jongen van 17 klaagde ik niet. Ik vond het belangrijk dat wij konden overleven om onze doelstelling voor een beter leven te bereiken. Bovendien was onze oriëntatie niet Suriname, maar Indonesië. Ik zat in de jongerengroep en ik had niets gemerkt van spijt. Er zijn wel mensen die berichten naar Suriname stuurden dat ze spijt hadden, maar dat zal van een enkeling zijn geweest. Wij jongeren zeker niet. Wij wilden geen tweederangsburgers zijn in Suriname. Javanen zijn tot nu toe tweederangsburgers. Ik was in 1979 voor het eerst gegaan en na 25 jaar is het aantal Javanen met een academische graad op de vingers te tellen. Vergelijk dat maar met het aantal doctorandussen onder de repatrianten.
Mijn hele familie is meegekomen. Wat mij het meest is bijgebleven is het verblijf met 7 personen in een barak van 4 bij 4. Stel je je dat eens voor !. In Suriname hadden wij eigen kamers, of wij deelden met zijn tweeën een kamer. Wij woonden meer dan een jaar in de barak. De mensen die kwamen waren in goede doen anders zouden ze het toch niet kunnen betalen?
Elke begin is moeilijk, maar wij waren daarop voorbereid. De volwassenen hadden dat zeker begrepen. De mensen waren goed voorbereid, ook dat er wilde dieren zouden zijn. Dat is allemaal verteld. Ik heb ook gehuild. Ik weet ook wat de plannen waren en wat wij al hadden gerealiseerd. Alles wat wij geplant hadden konden wij niet bereiken door de PRRI. Er kon niet worden schoongemaakt, er was geen onderhoud. Door een brand is dat allemaal verwoest. Soms vraag ik me af hoe het heeft het kunnen gebeuren, hoe heeft het zover kunnen komen? Waren wij ingeslapen? Ik heb er ook onder geleden. Ik moest ook werken en heb ook areng (houtskool) gemaakt en verkocht. Ik was al oud genoeg om dat te doen en sprak na drie jaar genoeg Indonesisch om de markttaal te spreken.
Ik vind dat de repatriëring over het geheel genomen een succes is. Wij zijn onder onze eigen mensen en niet onder anderen die op ons neerkijken. Wij kunnen met een geheven hoofd naast elkaar zitten, op hetzelfde niveau zitten, even hoog of even laag. In Suriname is het niet zo. Javanen worden nog steeds gezien als Japanesi fefuru fowru (Javanen stelen kippen). Misschien wordt het niet zo gevoeld door iemand die geen Javaanse ziel meer heeft, maar als je Javaan bent, dan voel je het.
Ik heb nog contacten met Suriname, zakelijke contacten. Ik ben verschillende keren geweest. Ik heb daar een aangenomen broertje. Hij werkt als adviseur van de minister, hij heet Herman Gumbreg Surokarso. Als ik daar ga is het voor familie en voor zaken, anders dan dat is er niets te zien en te doen. Een bezoek langer dan een maand hou ik niet vol. Je zou Suriname kunnen vergelijken met Klaten. Zelfs Depok is bedrijviger dan Klaten, toch?
Er was familie van mij overgekomen, de eerste keer in 1972. Dat was een nicht, de dochter van mij Pakde (hetzelfde als siwo, oudere broer van vader of moeder). Ze hebben mij niet eerst gemeld dat ze zouden komen. Ik was in Mingas, dus ik was erg geschrokken toen ik ze thuis aantrof. De tweede keer in 1974, daar wist ik wel van. Dat was het bezoek van Herman Surokarso toen hij klaar was met zijn studie in Nederland. Hij heeft landbouw gestudeerd. Ik ben ooit met hem van Java naar Bali met de bus gereisd. Mijn vrouw heeft ook familie in Suriname en in Nederland. Er is veel contact.
Ik ben al heel lang niet naar Tongar gegaan, zeker elf jaar niet. Als ik daar naar toe ga voel ik me droevig. Ik heb gehuild toen ik voor het laatst de bijeenkomst van mensen uit Suriname toesprak. Ik vind namelijk dat we de problemen daar hadden kunnen voorkomen, maar wij waren behoorlijk ingeslapen. Tongar is niet gemakkelijk te bereiken. Het bezwaar is dat ik nog zoveel uren in de auto moet reizen, na een vliegreis. Ik heb nog een tante, de vrouw van Pak Sarmidi. Mijn vrouw heeft geen familie meer in Tongar . Haar familie is naar Pekanbaru verhuisd.
Wat je aan mij kan zien, daar ben ik trots op. Dat ik al over zeventig ben en nog actief ben en mezelf kan helpen. Fysiek ben ik nog sterk.
[Migratie en Transnationalisme]

Mijn ouders waren in 1923 in Suriname aangekomen en in 1928 liep hun contract af. Ik ben in 1937 geboren. Ik kan me dus niets herinneren van het plantageleven, want toen ik opgroeide woonde mijn ouders al in een eigen woning en op eigen grond. De sfeer in mijn dorp was Javaans. De mensen spraken er goed Javaans, veel beter dan elders in Suriname. Ik zeg niet dat ze het niet kunnen, maar je kan het vergelijken als ik in Yogya zou rondlopen, dan is mijn Javaans veel minder goed. Er waren mensen die het Javaans script konden lezen en schrijven en die hun avonden opofferden om het aan kinderen te leren. Net als er hier mensen zijn die in de kampongs kinderen leren lezen uit de Koran. Nu zal het wel veel minder zijn dan vroeger, maar de belangstelling voor de Javaanse taal blijft. Ik heb toevallig in het blad Penyebar Semangat in 2004 of 2005 gelezen dat er een congres was over de Javaanse taal in Suriname.
Ik heb daar vrienden die succesvol zijn, iemand die een boer is, een combain (oogstmachine) heeft en een silo. Als hij oogst, oogst hij tonnen. Hij is twee keer hier geweest, kun je nagaan een boer die dat kan permitteren! Mijn ouders hebben ook in de rijstcultuur gewerkt. Daar is het zo dat de rijst werd opgekocht voor een goede basisprijs. Er is een coöperatie; die werkte beter dan hier. De coöperatie koopt op, verwerkt, verkoopt en exporteert naar het buitenland. Wordt er winst gemaakt dan voelt de boer het ook in zijn zak, niet als hier. De overheid zit achter het beheer van de coöperaties. Niet alle Javanen hebben na hun contractperiode besloten om aan landbouw te doen, er zijn er ook velen die in de fabrieken of op de plantages als arbeiders zijn blijven werken, niet meer verplichte arbeid, maar vrij.
Vroeger speelde ik cricket. Dat was in Nickerie heel populair, vooral onder de Hindostanen. Javanen hielden meer van voetbal. Dat deden wij na de oogst, want wij maakten dan de sawah schoon om er op te spelen. Hetzelfde met voetbal. Daar was het verboden om op straat te spelen, dat was gevaarlijk en het stoorde het verkeer. Voor alles was er een seizoen. Vliegeren deden wij ook, en dammen en schaken. Er werden wedstrijden gepeeld tussen kampongs. Bij de Javanen ging het gepaard met het bepalen van geschikte dag en tijdstip. Elke club had een ketua, een leider of oudste. Dat werd gedaan om te winnen. Dat komt ergens vandaan, allemaal van hier, dat hebben ze niet zelf verzonnen. Er werd ook kaart gespeeld en gegokt. Daar steekt een politiek achter van de Nederlanders. Arbeiders kregen op zaterdag uitbetaald. Ze werkten een halve dag en in de middag kregen ze hun loon. De Nederlanders vonden het goed dat er een pasar malam werd georganiseerd en kaarten en gokken mocht. Mensen vergokten alles in het weekend en moesten wel op maandag terug naar het werk. Dat ging zo door tot na 1948. Toen werd gokken, dobbelen verboden. Er waren toch nog mensen die het illegaal deden. Als ze werden gesnapt werden ze in de gevangenis gestopt.
Wat er op Java aan cultuur was, was daar ook toen ik klein was. Wayang kulit, ketoprak, ludruk, ande-ande lumut, dat was er allemaal. Sommige werden al wat minder, zoals wayang orang. Tegenwoordig trekt men meer naar het westen, men houdt meer van dansen. Ik zie dat tayub en wayang kulit ook minder wordt gedaan.
Mijn vader was lurah in Suriname. Er was ook een kaum en een kebayan. Dat was precies als op Java zodat de mensen zich thuis voelden. Als er een groep was gevormd, kon dat gemeld worden bij de overheid en het werd erkend. Het was voor de regering makkelijk om belastingszaken te regelen. In een groot dorp waar veel Javanen wonen, gaf de regering de lurah volmachten om belastingen voor haar te innen, zoals belasting op irrigatie en grondbelasting. In sommige dorpen had de lurah de functie van vertegenwoordiger van de Javaanse adat, dus hij zorgde ervoor dat er mauludan, bersih desa, suran was.
We deden aan cultuur in Tongar. Niet zoveel, maar er was toneel. Als mensen die al een goed tot hoog niveau hebben bereikt, in een omgeving terechtkomen waar het niveau in opleiding en levenstandaard veel lager is, moet je iets doen om niet neerwaarts te worden getrokken. Je moet voorkomen dat mensen in een gat vallen. Ik had het voorstel gedaan om een nieuwsbrief uit te brengen met de naam Jangkrik. Dat was ook geprobeerd. Met zo’n nieuwsbrief kun je de mensen wakker houden. Bijvoorbeeld als mensen gewend waren om koffie te drinken, moet je hun bijbrengen dat het niet helpt om te wachten op de koffie, maar wat er moet gebeuren voordat de koffie komt en kan worden klaargemaakt. Het is ook nodig om een sfeer te creëren zodat mensen zich thuis voelen. Als we gewend waren te picknicken in Suriname, waarom niet iemand sturen om fruit te halen op de markt, om rujak te maken en om het daarna samen in de bossen op te eten.
[Cultuur en Identiteit]

Ik heb de mulo tot de derde klas gedaan. Van huis uit was het 14 kilometer. Ik deed het op de fiets. Ik begon om half 8 en moest al om 6 uur, half zeven van huis. Fietsen hadden daar penningen, dat was het bewijs dat je belasting had betaald. De skaut (politie) controleerde dat. Ik fietste met mijn Hindostaanse vrienden. Mijn dorp was voor een kwart Javaans en driekwart Hindostaans. Op andere plaatsen was de verhouding andersom. Wij aten voornamelijk Javaans, gebruikten trasi, goede trasi niet gemengd zoals hier. Er werd ook veel tahu van vis gemaakt, van terapung (Surinaamse vissoort). Hier is het te vergelijken met de baso ikan (Indonesiche visballetjes) , maar daar is het honderd procent vis, niet gemengd met andere dingen.
Mijn ouders behoorden tot de kleine groep geletterden in Suriname. De meerderheid was analfabeet. Mijn vader kon lezen en schrijven en hij kon Javaans, bahasa melayu (maleis). Het gros van de Javanen heeft wel onderwijs gehad, maar niet veel. Ik heb een vriend, hij is succesvol met zijn landbouwbedrijf maar hij heeft niet eens de lagere school afgemaakt. Onderwijs is daar geen prioriteit, daarom zijn er zoals ik al eerder zei weinig Javaanse academici.
[Lering en scholing]

Ik was 20 toen ik uit Tongar wegging. Ik wilde naar de SMA, maar ik vond me te oud daarvoor. Ik ging naar Java en schreef me in op de STM Manahan in Solo en had om een beurs gevraagd. Ik werd aangenomen. Vroeger was er ook de SPM, Sekolah Pendidikan Masyrakat (school voor volksonderwijs), die heb je nu niet meer. Als je dat volgde, kon je voorlichter worden. Ook hier werd ik toegelaten, dus wat ik deed was de STM in de ochtend en de SPM in de middag. De PRRI begon en mijn beurs werd stopgezet, er was geen geld. Toen ben ik naar Pekanbaru gegaan om te werken bij Caltex. Ik werd daar aangenomen als trainee. Drie jaar lang was dat, daarna werd ik medewerker en na 6 jaar staflid. Ik ging naar Pekanbaru omdat ik daar vrienden had, Sagimin was er een van. Ik bleef met hem en Ngadi. Ik begon als leerling lasser, tukang las. Mijn trainee nummer was 5258. Ik werd geïnterviewd. Voor Engels had ik een 9 op de SMP, maar had weinig praktijkervaring om het te spreken. Ik moest ook medisch getest worden. Daarvoor zakte ik. Mijn gebit was niet helemaal goed. Er moest wat worden uitgetrokken. Daarna moest ik me weer melden en werd toegelaten.
Hier hield ik het maar een maand uit. Mijn fysieke gesteldheid was niet opgewassen tegen de stoffen die vrijkwamen bij het lassen. Ik heb toen een brief geschreven en gelukkig was daar een Javaan, Hadi Utomo, die mij overplaatste naar de afdeling instrumentarium. Ik was daar trainee tot 1958 en werd medewerker. In 1963 was ik al supervisor en in 1968 senior supervisor. Ik had diverse supervisors van verschillende secties onder me. In 1972 werd ik overgeplaatst naar Mingas, naar een olieveld. Ik had zeker een honderd mensen onder mijn supervisie en in 1976 werd ik super attendent en had ik te maken met de pompen voor de oliebronnen. Een super attendent heeft senior supervisors onder zich. Ik werkte echt hard. Er was niet zoiets als ABS (Asal Bapak Senang).
Mijn familie bleef achter in Tongar. Mijn zusjes en broers gingen nog naar school. Ze zijn daar tot ongeveer 1972 gebleven en hebben daar de SMA in Simpang Empat afgemaakt. Een van mijn broers is een succesvol zakenman. De kinderen van mij en mijn broers hebben het goed gedaan. Eentje is notaris geworden, de andere dokter, een ander zit bij de luchtmacht. Er zijn er ook die in de VS wonen en die daar hebben gestudeerd. Eentje is met een Peruaan getrouwd. Ik heb vier kinderen, twee meisjes en twee jongens. Een dochter van mij is met een Italiaan getrouwd, een ander met een Batak. De kleinkinderen studeren al. Een heeft een beurs van Bakri en een ander van Caltex.
[Arbeid en Ondernemerschap]

Volledig Interview

Interviewer: Amorisa Wiratri
Datum: 8-04-2010
Vertalign en bewerking: Hariëtte Mingoen

Teguh sastropawiro_01_portrait_8_April_2010.JPG

Woonplaatsen

  • Suriname 1937 - 1954
  • Indonesia 1954 -

Geef een cijfer aan dit interview!

578 stemmen , Waardering: 3.1 Rating_off Rating_off Rating_off Rating_off Rating_off