Javaanse migratie naar Suriname

De migratie van Javanen naar Suriname heeft direct te maken met de afschaffing van de slavernij en de behoefte van de plantages aan goedkope en gehoorzame arbeidskrachten. In eerste instantie werden er Brits-Indiërs gecontracteerd om in de grote landbouw te gaan werken, maar al snel begonnen er twijfels te ontstaan over hun geschiktheid. Het was voor de hand liggend om arbeiders te werven in het dichtbevolkte Java. In 1890 werd op proefbasis een hondertal Javanen naar Suriname verscheept. Deze groep werd tewerkgesteld op de grootste plantage van de kolonie, Mariënburg. Na de geslaagde proef ging men over tot grootschalige immigratie van Javaanse contractanten.
Contractarbeid betekende dat men voor een periode van vijf jaar aan een plantage werd toegewezen om voor een vast loon (60 cent voor mannen en 40 cent voor vrouwen per dag) opgedragen werk te verrichten. De zogenaamde poenale sanctie bood de planter de mogelijkheid om een contractant die zich onttrok aan de werkzaamheden of zich, in de ogen van de planter, op een andere manier misdroeg via de rechter een boete of een gevangenisstraf op te leggen.
Wervers recruteerden de arbeiders, die dan naar een verzameldepot getransporteerd werden. Na een lichte lichamelijke keuring werd er gewacht op het volgende schip dat voor Suriname gecharterd was. Een aantal mensen beweerde later dat ze ontvoerd of betoverd waren en dus onvrijwillig naar Suriname waren gekomen.
Eenmaal in Suriname werden de migranten van de Waterkant in Paramaribo naar het aankomstdepot gebracht. Gezinnen werden bij elkaar gehouden, maar de contractanten hadden verder geen inspraak over de keuze van de soort plantage of de ligging.
Na afloop van het contract hadden de arbeiders recht op een gratis retourpassage, maar men kon dit inruilen tegen honderd gulden. In de laatste jaren van de negentiende eeuw wilde de koloniale overheid de kolonisatie door Aziatische immigranten bevorderen en begon onontgonnen land te verstrekken aan immigranten die hun contract hadden uitgediend. Het idee was om de immigranten in Suriname te laten blijven om zo de kleine landbouw tot bloei te brengen.
Rond 1930 trad een nieuwe fase in met de immigratie van vrije Javaanse kolonisten. Deze nieuwe migranten woonden op de plantages waar zij een stuk land kregen en waar ze tijdens het oogst- en plantseizoen op de plantagegronden moesten werken. De poenale sanctie werd afgeschaft en in 1935 was de contractarbeid in Suriname uitgestorven. Het zogenaamde Welter-Kielstra plan was gebaseerd op de kolonisatie van Suriname door Javaanse boeren. Deze landbouwers zouden in hun eigen desa’s gaan wonen. In 1939 kwamen met de Kota Gede de eerste 990 Javanen onder dit plan aan, maar de Tweede Wereldoorlog verhinderde de verdere uitvoering van deze grootscheepse migratie van Java naar Suriname. In totaal kwamen er tussen 1890 en 1939 32,962 Javanen naar Suriname, waarvan er tot 1939 7,684 terugkeerden naar hun geboorteland.


Aankomst Javanen in Paramaribo, 1923

Bron: Hoefte, R., A social history of British Indian and Javanese laborers in Suriname. Gainesville: University Press of Florida, 1998.

Achmad_arievie_kasto_soetoredjo_08_portrait_18-april-2010

Achmad Arievie Kasto Soetoredjo

De keus om uit Suriname te vertrekken maakte ik in de tijd dat Bouterse aan de macht was, ik was toen 22 jaar. Elke keer was er weer een...

Achmad_arievie_kasto_soetoredjo_08_portrait_18-april-2010

Achmad Arievie Kasto Soetoredjo

De keus om uit Suriname te vertrekken maakte ik in de tijd dat Bouterse aan de macht was, ik was toen 22 jaar. Elke keer was er weer een...

Djoenerie

Achmad Djoeneri

Ik was 9 jaar toen Pater Spekman op bezoek kwam bij mijn opa, bij wie ik opgroeide. Pater Spekman sprak goed Javaans. Hij vroeg mijn opa...